Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/233

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— Ga nu maar met elkander vooruit, want gij zult elkaar wel veel te vertellen hebben; ik zal mij wel bezighouden met dit jonge mensch, dat zoo mooi op den waldhoren blaast.

Wij zouden stof voor een gansche week gehad hebben, en dan zelfs zouden wij nog niet uitgepraat zijn. Alexis wilde alles van mijn reis weten en ik, van mijn kant, wenschte te vernemen, hoe hem dit nieuwe leven aanstond; op die wijze deden we elkaar zooveel vragen, dat we geen van beiden aan antwoorden dachten.

Wij liepen langzaam en alle werklieden, die zich naar huis begaven, haalden ons in; het was een lange rij, die bijna de geheele straat besloeg en allen waren even zwart en met dezelfde stof overdekt, die op den grond in een dikke laag ligt uitgespreid.

Toen wij het huis genaderd waren, voegde oom Gaspard zich bij ons.

— Jongens, gij blijft bij ons eten.

Nooit heeft een uitnoodiging mij meer genoegen gedaan, want terwijl wij voorthepen, had ik mezelf reeds afgevraagd, of wij, wanneer we de deur bereikt hadden, van elkander zouden moeten scheiden, daar de wijze waarop de tante ons ontvangen had, niet veel goeds beloofde.

— Daar is Rémi, zeide hij het huis binnentredende, en zijn vriend.

— Ik heb ze daar straks reeds gezien.

— Des te beter, dan is de kennis al gemaakt; zij blijven bij ons eten.

Ik vond het heerlijk om met Alexis te eten, dat is te zeggen, om den geheelen avond bij hem te kunnen zijn, maar eerlijk gezegd, vond ik het ook prettig, dat ik een maal kreeg. Sedert wij Parijs verlaten hadden, was onze maaltijd er steeds bij ingeschoten, nu en dan een korstje brood of een stukje spek, maar nooit een wezenlijk middagmaal, aan een tafel, met een bord en vork. Onze verdiensten stelden ons wel instaat een beter leven te leiden, maar wij moesten zooveel mogelijk bezuinigen om de koe te koopen en Mattia was zoo goedhartig, dat hij het bijna even gaarne deed als ik bij de gedachte aan die koe.

Dien avond echter zouden wij niet het genot van een maaltijd smaken; ik zette mij aan de tafel op een stoel, maar wij kregen geen soep. Tante had den geheelen dag verpraat, eerst op het laatste oogenblik had zij aan het maal voor haar man gedacht, met dit gevolg, dat wij koffie en varkensvleesch kregen. Oom Gaspard was spoedig tevreden, want hij hield veel van rust; hij at dus zijn spek en beklaagde zich niet, of, zoo hij zich al een opmerking veroorloofde, dan deed hij die zeer zacht en bescheiden.

— Zoo ik geen drinker word, zeide hij, zijn glas met water vullende, dan is het omdat ik er te braaf voor ben; tracht ons morgen dus soep te geven.