— Als er tijd voor is.
— Gaat de tijd dan boven de aarde sneller voorbij, dan daaronder?
— En wie zal uw goed verstellen? gij verslijt alles.
Hij wierp toen een blik op zijn gescheurde kleederen.
— Wij zijn werkelijk gekleed als prinsen.
Onze maaltijd duurde niet lang.
— Gij kunt bij Alexis slapen, mijn jongen.
Daarop keerde hij zich tot Mattia.
— En voor u zal ik een bed van stroo maken.
De avond en een groot gedeelte van den nacht werden door Alexis en mij wakker doorgebracht.
Oom Gaspard moest de steenkolen met het houweel losmaken, terwijl zijn neef tot taak had de blokken op het wagentje, dat op de rails liep, weg te rijden naar de plaats, waar het werd opgehaald.
Hoewel hij nog sedert kort mijnwerker was, hield Alexis toch reeds veel van zijn mijn en was hij trotsch op haar; zij was de mooiste en de belangrijkste uit het land; hij sprak er over zooals een reiziger, die uit een onbekende streek komt en nieuwsgierige ooren gevonden heeft.
Eerst volgt men een gang, die in de rots is uitgehouwen en als men tien minuten daarin geloopen heeft, komt men aan een rechte en steile trap; onder aan die trap bevindt zich een houten ladder, daarop nog een ladder en weer een ladder: dan heeft men de eerste laag bereikt, die tot een diepte van vijftig meter gegraven is. Om tot de tweede laag te komen, die op negentig meter en de derde, welke op tweehonderd meter zich bevindt, is hetzelfde laddersysteem aangebracht. In die derde laag werkte Alexis en om tot zijn werkplaats door te dringen, had hij een driemaal langer weg af te leggen dan zij, die de torens van de kerk Notre-Dame te Parijs beklimmen.
Maar terwijl de trappen van de Notre-Dame gemakkelijk op en af zijn te gaan, daar zij recht gebouwd en goed verlicht zijn, is dit in de mijn niet het geval, omdat de treden, in verband met het gehalte van de rots, nu eens verder van elkander verwijderd, dan weer dichter bij elkander zijn. Geen ander licht schijnt hier dan het lampje, dat men in de hand draagt en de grond is bedekt met vette aarde, die aanhoudend door het druppelsgewijs doorsijpelend water vochtig wordt gehouden en dikwijls ijskoud op het gelaat valt.
Tweehonderd el te dalen, dat is veel, maar nog niet alles; men moest door gangen naar de verschillende trappen gaan om zich naar de werkplaats te begeven; de gangen in de mijn la Truyère hadden een gezamenlijke lengte van 30 à 40 mijlen.
Natuurlijk behoefde men die 40 mijlen niet af te leggen, maar