Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/242

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

maatschappij in wier dienst hij was, had hem een klein jaargeld verstrekt, want deze ramp had hem getroffen, terwijl hij drie zijner makkers redde. Gedurende eenige jaren had hij van dit jaargeld geleefd. De maatschappij was toen failliet gegaan, en hij verloor daarbij zijn inkomen en was wel genoodzaakt om als opperman in de mijn van Truyère te gaan werken. Men noemde hem de schoolmeester, omdat hij veel wist, dat de opzichters en zelfs de andere mijnwerkers niet wisten, en omdat hij gaarne daarvan vertelde en trotsch was op zijn wetenschap.

In de schofturen maakte ik kennis met hem en spoedig had hij een groote genegenheid voor mij opgevat; ik was een onvermoeid vrager en hij een onvermoeid prater. Wij werden zelfs onafscheidelijk. In de mijn spreekt men gewoonlijk weinig en men noemde ons de babbelaars.

Alexis had mij niet alles verteld wat ik weten wilde, en evenmin hadden de antwoorden, die oom Gaspard mij gaf, mij kunnen voldoen, want als ik hem vroeg: „Wat is steenkool?" gaf hij mij ten antwoord: „Dat zijn kolen, die men in den grond vindt."

Zulke antwoorden konden mij niet bevredigen, daar Vitalis mij geleerd had om mij niet zoo spoedig tevreden te stellen. Toen ik dezelfde vraag herhaalde tot den schoolmeester, kreeg ik de bekende verklaringen, dat steenkolen gevormd waren door de versteening van gansche levende bosschen.

— Wij hebben thans geen tijd om veel te praten, maar morgen is het Zondag, kom dan maar eens bij mij, dan zal ik u allerlei soort steenkolen laten zien. Zij noemen mij den schoolmeester, maar

gij zult zien, dat die schoolmeester toch tot iets deugt. De mensch heeft zijn leven niet alleen in zijn hand, maar ook in zijn hoofd. Evenals gij, stelde ik op uw leeftijd in veel dingen belang; ik leefde in de mijn en ik wilde alles, wat ik iederen dag in mijn omgeving zag, kennen; ik heb veel van de ingenieurs geleerd, wanneer deze mij iets wilden mededeelen en ik heb veel gelezen. Na mijn ongeluk heb ik veel vrijen tijd gehad en dien heb ik nuttig besteed: als men oogen heeft om te zien, en als men op die oogen brillen zet, die de boeken u geven, dan eindigt men met veel op te merken. Nu heb ik niet veel tijd tot lezen, en ik bezit geen geld om boeken te koopen, maar ik heb nog oogen en die houd ik open. Kom morgen bij mij, dan zal ik u op veel opmerkzaam maken. Men weet niet welk zaad een woord kan doen ontkiemen, dat in een vruchtbaar oor gevallen is. Ik heb naar de mijnen te Bességes een geleerd man. Brouguiart genaamd, gevolgd en van dezen heb ik gedurende zijn onderzoekingen veel gehoord, wat mij op het denkbeeld bracht zelf te gaan leeren en waardoor ik thans wat meer weet dan mijn makkers. Tot morgen.