stelde. Daar wij nu dezelfde richting als de stroom volgden, liepen wij veel sneller.
Ik wist niet waarheen wij ons begaven, maar mijn hoop was teruggekeerd.
Nadat wij de gang eenige minuten lang gevolgd hadden — ik weet niet of het minuten, dan wel seconden waren, want wij hadden geen besef meer van tijd — bleef hij stilstaan.
— Wij zullen daartoe geen tijd meer hebben! riep hij, want het water stijgt met te groote snelheid.
Werkelijk rees de spiegel al hooger en hooger; van mijn knieën was het tot aan de heupen gekomen en van de heupentot aan mijn borst.
— Wij moeten de wijk nemen naar een der zijgangen, die naar boven loopt, zeide de schoolmeester.
— En dan?
— De zijgang leidt nergens heen.
Een zijgang in te slaan was de laatste kans op redding, want dezen hebben geen uitgang; maar het was hier kiezen of deelen: wij moesten of de zijgang nemen en daardoor eenige minuten tijd winnen, dat is te zeggen, daarmede de uitkomst op redding vermeerderen, of de gang volgen met de zekerheid van binnen weinige oogenblikken verzwolgen te worden door de golven.
De schoolmeester voerde ons dus naar de zijgang. Twee onzer makkers wilden de gaanderij doorwaden en hen hebben wij ook nooit teruggezien.
Toen wij weder tot ons bewustzijn kwamen, hoorden wij een donderend geraas, dat alles overstemde. Dat geluid was reeds ontstaan vóór dat wij vluchtten, maar wij hadden er niets van gehoord.
Het werd veroorzaakt door de instortingen, het doorbreken van het water, het neerploffen in de kolken, het uiteenrukken van het houtwerk en de ontploffingen van de saamgeperste lucht. Dit alles deed in de mijn een ontzaglijk gedruis ontstaan, waarbij hooren en zien verging.
— Het is de zondvloed.
— Het einde van de wereld.
— Groote God, heb medelijden met ons!
Sedert wij ons in de zijgang bevonden, had de schoolmeester geen woord gesproken, want zijn krachtige geest was verheven boven ijdel klagen.
— Kinderen, zeide hij, wij moeten ons niet vermoeien; wanneer wij onze handen en voeten zoo vastgeklemd houden, dan verliezen wij onze krachten; wij moeten rustpunten uithouwen in de wanden.
Deze raad was van het grootste belang, maar zeer moeilijk om ten uitvoer gebracht te worden, want niemand had zijn houweel medegenomen; wij hadden alleen onze lamp, maar geen van ons zijn gereedschap.