Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/248

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— Met de haken van onze lampen, zeide de schoolmeester.

En wij begonnen allen den grond met de haken vande lampen uit te houwen; het was een zwaar werk, want de zijgang was zeer steil en de wanden zeer glad. Maar wanneer men weet, dat, als men uitglijdt, men den dood in de diepte vindt, dan is men krachtig en behendig.

Binnen weinige minuten hadden wij elk een holte uitgehouwen, waarin wij onzen voet konden plaatsen.

Toen wij dit gedaan hadden, durfden we ademhalen en elkander aanzien. Wij waren met ons zevenen: de schoolmeester, ik, oom Gaspard, drie houwers en een opperman; de andere werklieden waren in de gang verdwenen.

Het gedruis in de mijn ging steeds met dezelfde hevigheid voort; geen woorden kunnen de kracht ervan uitdrukken en het gebulder van het geschut, dat zich paart aan het ratelen van den donder en het dreunen der instortende bergmassa, zou geen ontzaglijker geweld teweeggebracht hebben.

Verschrikt, buiten ons zelf van angst, staarden wij elkander aan en trachtten in elkanders blik een verklaring te lezen, die het verstand ons niet aangaf.

— Het is de zondvloed, sprak de een.

— De wereld vergaat.

— Een aardbeving.

— De genius der mijn, die vertoornd is en zich wreken wil.

— Een overstrooming, die door een opeenhooping van het water in de oude werken veroorzaakt is.

— Een gat dat de Divonne heeft geboord.

Deze laatste opmerking kwam van mij, want ik hield vol, dat het niets anders zijn kon.

De schoolmeester zeide niets en zag ons beurtelings aan, terwijl hij de schouders ophaalde, alsof op klaarlichten dag deze vraag besproken werd, onder het lommer van een moerbezieboom, bij het genot van de een of andere lekkernij.

— Het is een overstrooming, zeide hij ten laatste, toen een ieder zijn meening had uitgesproken.

— Door een aardbeving veroorzaakt.

— Door den genius van de mijn gezonden.

— En die van de oude werken afkomstig is.

— Het is een gat, dat de Divonne in den berg geslagen heeft.

Ieder herhaalde zijn meening.

— Het is een overstrooming, vervolgde de schoolmeester.

— En verder? Waar komt ze vandaan? vroegen verscheidene stemmen, als uit één mond.

— Dat weet ik niet, maar wat den genius van de mijn betreft, dat is onzin; wat de oude werken aangaat, dat is onmogelijk; het