zou alleen waar kunnen zijn, wanneer de derde laag slechts overstroomd was, maar de tweede en de eerste is het ook; gij weet wel dat het water niet stijgt, maar altijd zakt.
— Een gat.
— Zulke gaten kunnen niet geboord worden.
— Een aardbeving,
— Dat weet ik niet.
— Als gij het niet weet, zeg het dan ook niet.
— Ik weet wat een overstrooming is, en dat beteekent al iets, een overstrooming die van boven komt.
— Dat zien we allemaal, want ze is ons gevolgd.
— Daar we nu droog stonden, keerde meer en meer onze gerustheid terug en daar het water niet langer steeg, wilde men niet meer naar den schoolmeester luisteren.
— Doe maar niet of gij een geleerde zijt, want gij weet het evenmin als wij.
De overmacht die hij door zijn dapperheid had verkregen, toen wij in gevaar verkeerden, had hij weder verloren. Hij zweeg oogenblikkelijk.
Om het geraas te overstemmen, spraken wij zoo luid mogelijk en toch klonk onze stem nog dof.
— Zeg eens wat.
— Wat zal ik zeggen?
— Alles wat ge wilt, zeg maar wat, het eerste wat u invalt.
Ik sprak eenige woorden.
— Goed, nu wat zachter. Juist, goed.
— Hebt ge uw verstand verloren, zeg schoolmeester? vroeg er een.
— Wordt ge krankzinnig van angst?
— Denkt gij, dat ge dood zijt?
— Ik geloof dat hier het water ons niet zal bereiken en dat, al mochten wij hier omkomen, wij niet zullen verdrinken.
— Dat beduidt....
— Kijk eens naar uw lamp.
— Wel, zij brandt.
— Zooals altijd?
— Neen, de vlam is sterker, maar kleiner.
— Is hier dan mijngas?
— Neen, antwoordde de schoolmeester, daarvoor behoeven wij ook niet bevreesd te zijn; het mijngas is evenmin gevaarlijk voor ons, als thans het water, dat geen voet meer stijgt.
— Doe maar niet of ge een toovenaar zijt.
— Dat is mijn plan ook niet; wij bevinden ons als onder een stolp, waar de lucht niet in doordringt en juist daardoor wordt