Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/260

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— Er zijn twee middelen, en ik ben zeker, dat de ingenieurs ze beiden gebruiken zullen zij zullen zoolang boren, tot zij ons bereikt hebben en dan het water uitpompen.

— O, een gang boren!

— Het water uitpompen!

Deze opmerkingen brachten den meester niet van zijn meening terug.

— Wij bevinden ons veertig el onder den grond, nietwaar? Als men zes of acht meter elken dag boort, dan zal men binnen zeven of acht dagen ons bereikt hebben.

— Men kan geen acht meter daags boren.

— Als men gewoon werkt niet, maar als men zijn makkers moet redden, kan men zooveel.

— Wij kunnen hier geen acht dagen leven: denk eens meester, acht heele dagen!

— En dan het water? Hoe moet dat uitgepompt worden?

— Het water, dat weet ik niet; eerst zou ik moeten weten, hoeveel water er in de mijn is, 200,000 kubieke meter of 300,000 misschien, dat kan ik niet beslissen. Maar om tot ons door te dringen, behoeft men niet alles eerst uit te pompen; wij bevinden ons in de bovenste laag, en daar men de drie putten tegelijk met twee tonnen zal uitloozen, zullen zes tonnen 25 hectoliter water putten: dus 150 hectoliter zullen tegelijk worden uitgepompt. Gij ziet dus, dat het vrij snel in zijn werk kan gaan.

Men begon toen te overleggen, welke maatregelen het best waren; ik voor mij begreep uit dit gesprek alleen dat, alles van de gunstigste zijde gezien, wij minstens acht dagen lang levend begraven zouden blijven.

Acht dagen! De meester had wel gesproken van werklieden, die vier en twintig dagen gevangen gebleven waren, maar dat was een verhaal en wij bevonden ons in de werkelijkheid. Toen deze gedachte bij mij had postgevat, luisterde ik niet meer naar het gesprek.

Ik weet niet sedert hoe lang deze gedachte mij overstelpte, toen zij allen zwegen.

— Luister, sprak Carrory, in wien, juist omdat hij zoo weinig beschaafd man was, de dierlijke eigenschappen meer ontwikkeld waren dan bij ons.

— Waarnaar?

— Ik hoor iets in het water.

— Gij zult een steen hebben laten vallen.

— Neen, het is een dof geluid.

— Wij luisterden.

Ik had een zeer fijn gehoor, maar slechts voor die geluiden, welke men in het leven op de wereld waarneemt; hier hoorde