uitgestort; het was geen overstrooming, geen waterval, het was een wolkbreuk, een zondvloed geweest. In een oogenblik was de Divonne en haar zijtakken boordevol geloopen, wat zeer natuurlijk was, daar de steenen bodem het water niet in zich opneemt, maar dit de helling van het terrein volgt om zich in de rivier te storten. Onmiddellijk was de steile bedding der rivier gevuld geraakt en de Saint-Andéol en de Truyère waren buiten haar oevers getreden. Door den was der Divonne teruggehouden, had het water uit de bedding der Truyère geen uitloozing kunnen krijgen en zich verspreid over het terrein, waaronder de mijnen gelegen zijn. Die overstrooming was plotseling geweest, maar de werklieden, die buiten arbeidden en op dat oogenblik bezig waren met het wasschen der erts en genoodzaakt om een schuilplaats op te zoeken, hadden geen gevaar geleden. Het was de eerste maal niet, dat de Truyère eene overstrooming ontstaan deed, en daar de openingen der drie schachten zoo hoog boven den grond waren, dat het water er zich niet kon instorten, had men geene andere maatregelen genomen, dan het hout weg te halen, hetwelk gereed lag om tot wanden in de mijngangen gebruikt te worden.
Het was met dezen arbeid, dat de ingenieur der mijnen bezig was, toen hij eensklaps ontdekte, dat het water eene draaikolk vormde, en zich in eene spleet stortte, die het zelf had uitgehold. Die spleet mondde uit in eene opening van de mijn.
Men behoeft niet diep na te denken om te begrijpen, wat er plaats gegrepen had: het water stortte zich in de mijn, door de gangen. Daar buiten daalde het peil, maar de mijn werd overstroomd en zou weldra geheel met water gevuld zijn, waarin de arbeiders moesten verdrinken.
De ingenieur snelde naar de schacht Saint-Julien en gaf bevel, dat men hem in de ton zou neerlaten; maar toen hij zijn voet daarin zette, gaf hij een teeken, dat men wachten zou. Daaronder hoorde men een ontzaglijk gedruis, het was de heftige stroom van het water.
— Ga er niet in, riepen de arbeiders en wilden hem terughouden; maar hij rukte zich los en zijn horloge uit den zak nemende, gaf hij dit aan een van hen met de woorden:
— Dat is voor mijne dochter, als ik niet terugkom.
Daarop wendde hij zich tot de mannen, die het windas hanteerden en gaf toen bevel, hem te laten zakken. De ton daalde, toen hief hij het hoofd op en riep den arbeider toe, wien hij zijn horloge gegeven had:
Zeg haar, dat haar vader haar in gedachten omhelst.
De ton is beneden. De ingenieur roept, vijf mijnwerkers voegen zich bij hem; hij laat hen plaats nemen in de ton. Terwijl zij opgeheschen worden, roept hij opnieuw, maar tevergeefs; zijne