hebben, maar ook ons tegen ons zelf te verdedigen, en wanneer een van ons zijn zelfvertrouwen verloor, hem moed in te spreken.
— Gij zult hier evenmin blijven als wij; de tonnen werken, het water daalt.
— Waar daalt het?
— In de putten.
— En in de gang?
— Dat zal wel gebeuren; geduld slechts.
Zeg Bergounhoux, viel Carrory hem in de rede, met de tegenwoordigheid van geest en de gevatheid, die alles kenmerkte wat hij deed, als de maatschappij failliet gaat, zooals die van den meester, dan heeft uw vrouw niets.
— Wilt ge wel eens zwijgen, domkop, de maatschappij is rijk.
— Zij was rijk, zoolang ze de mijn bezat, maar nu de mijn onder water staat, niet meer. In elk geval zou ik, als ik boven was, inplaats van hier, wel zoo in mijn schik zijn.
— Omdat....?
— Waarom waren die directeuren en ingenieurs zoo trotsch? Dit zal hun tot een les zijn. Als de ingenieur eens naar beneden gegaan was, dat zou dwaas zijn, nietwaar, mijnheer?
— Als de ingenieur naar beneden gegaan was, dan zoudt gij hier blijven en wij ook.
— O gij, gij weet, dat gij u om niets behoeft te bekommeren, maar ik heb wel iets anders te doen; mijn kastanjes, wie zal ze drogen? Ik vraag dus aan den ingenieur om weer naar boven te gaan; het is om te lachen. Goedendag, mijnheer de ingenieur.
Behalve de meester, die zijn gevoel wist te verbergen en Carrory, die niet veel gevoel had, spraken wij niet meer over onze bevrijding, maar slechts de woorden dood en honger kwamen over onze lippen.
— Gij hebt mooi praten, meester, de tonnen kunnen nooit genoeg water ophalen.
— Ik heb het u al wel twintigmaal voorgerekend; een weinig geduld nog.
— Dat rekenen zal er ons niet uitredden.
Deze opmerking werd door Pagés geuit.
— Wie dan?
— De goede God. Deze heeft gedoogd, dat wij hier onze toevlucht zochten. Hij zal ook redding geven.
— Zoo God ons hier gebracht heeft, dan is dit zeker geschied omdat er onder ons zijn, die Hij straffen wilde. Deze opmerking ging gepaard met een zijdelingschen blik op Bergounhoux.
Inplaats van heftig daartegen op te komen, bevestigde deze de woorden van zijn aanklager.
— Ik ben overtuigd, begon hij, dat God mij straffen wil,