omdat ik in den laatsten tijd geen goed christen ben geweest; ik smeek Hem thans uit het diepst mijner ziel vergiffenis.
Hij viel op zijn knieën en sloeg verscheidene malen op de borst.
— Ik voor mij durf ook niet beweren, dat ik geheel zonder zonde ben en ik wil ook gaarne de mijne belijden; maar onze lieve Heer weet, dat ik ze niet uit moedwil bedreven heb; ik heb nooit iemand opzettelijk iets misdaan.
Ik weet niet of die donkere gevangenis eenigen invloed op mij uitoefende, of dat het de vrees voor den dood was, of wel dat wij door den honger verzwakt waren en het geheimzinnige schijnsel van de lamp, die nauwlijks eenig licht over ons wierp; maar ook ik gevoelde mij diep ontroerd, terwijl ik naar de belijdenis der zonden van de anderen luisterde en ook ik stond op het punt om, evenals Pagés en Bergounhoux, mij op de knieën te werpen en mijne fouten te biechten.
Plotseling hoorde ik achter mij luid snikken en toen ik mij omwendde, zag ik den grooten Compayrou op den grond leggen.
— De schuldige, riep hij, is noch Pagés noch Bergounhoux, ik ben het. De goede God straft mij, maar ik heb berouw, oprecht berouw. Ik zal u de zuivere waarheid vertellen, als wij gered worden, dan zweer ik, dat ik mijn misdaad zal herstellen. Een jaar geleden werd Rouquette tot vijf jaren tuchthuisstraf veroordeeld, omdat hij een horloge bij vrouw Vidal gestolen had. Hij is onschuldig. Ik heb die misdaad gepleegd. Het horloge ligt onder mijn bed, en als men de derde plank links opbeurt, zal men het vinden.
— Gooi hem in het water! Gooi hem in het water! riepen Pagés en Bergounhoux als uit één mond.
— Ongetwijfeld zouden zij den misdadiger inden afgrond geworpen hebben, maar vóór dat zij hiertoe nog konden overgaan was de meester reeds tusschen beiden getreden.
— Wilt gij dan dat hij voor God verschijnen zal met die misdaad op zijn geweten? riep hij; laat hem eerst tot zich inkeeren.
— Ik heb berouw, oprecht berouw, herhaalde Compayrou op zulk een zwakken toon, alsof hij een kind was inplaats van een forschen kerel.
— Gooi hem in het water! herhaalde men.
— Neen, riep de meester.
Hij begon hen toen op kalmen toon toe te spreken en bracht hun onder het oog, dat wij rechtvaardig en verstandig handelen moesten. Maar zij wilden niets daarvan hooren en dreigden hem in de diepte te zullen werpen.
— Geef mij uw hand, zeide de meester, terwijl hij Compayrou naderde.