Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/276

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

honger mij pijnigde, mij onophoudelijk voor den geest kwam. Het was de geschiedenis van matrozen, die op een zandbank waren geworpen, waar geen voedsel voor hen te vinden was, en toen den kajuitsjongen gedood hadden om hun honger te stillen. Ik vroeg mezelf af, terwijl ik mijn makkers van honger hoorde kermen, of mij niet een zelfde lot beschoren was en ofik op onze kolenbank niet gedood en opgegeten zou worden. Ik was zeker dat de meester en oom Gaspard mij tot het laatste toe zouden verdedigen; maar Pagés. Bergounhoux en Carrory. Carrory vooral, met zijn groote witte tanden, die aanhoudend op een stuk leder knabbelde, boezemden mij volstrekt geen vertrouwen in.

Ongetwijfeld was mijn vrees zeer dwaas; maar in den toestand, waarin wij verkeerden, werd onze geest noch onze verbeelding door het koele, gezonde verstand geleid.

Onze angst werd vooral vermeerderd, omdat wij geen licht hadden. De lampen waren achtereenvolgens uitgebrand bij gebrek aan olie. En toen wij er niet meer dan twee overhadden, had de meester besloten, dat zij niet eer aangestoken zouden worden, voordat zij noodzakelijk geacht werden. Wij bleven dus voortdurend in de duisternis gedompeld.

Dit was niet slechts onverdraaglijk, maar bovendien gevaarlijk, want, als wij ons maar even onbedacht bewogen, hadden wij kans in het water te storten.

Sedert den dood van Compayron, lagen op elke trede drie werklieden, waardoor wij dan ook een weinig meer plaats kregen; oom Gaspard rustte in een hoek, de meester in een anderen en ik lag in het midden.

Op een gegeven oogenblik, terwijl ik half was ingedommeld, hoorde ik tot mijn verbazing den meester op zachten toon, alsof hij hardop droomde, eenige woorden stamelen.

— Ik ontwaakte en luisterde.

Er zijn wolken, zeide hij, hoe mooi zijn die wolken toch. Er zijn menschen die er niet van houden; ik vind ze wel schoon. O, wij krijgen wind, des te beter, ik houd ook van wind.

Droomde hij? Ik schudde hem bij den arm, maar hij vervolgde:

— Wilt ge mij een eierstruif geven van zes en niet van acht eieren; snijd hem maar in twaalfven, dan zal ik hem opeten, als ik thuis kom.

— Hoort gij hem, oom Gaspard?

— Ja, hij droomt.

— Welneen, hij is wakker.

— Hij praat onzin.

— Ik verzeker u dat hij wakker is.

— Heila, meester!