— Wilt gij mede eten. Gaspard? Kom dan, maar ik voorspel u, dat wij wind krijgen.
— Hij weet niet wat hij zegt, hernam oom Gaspard; het is de honger en de koorts.
— Neen, hij is dood, zeide Bergounhoux, zijn ziel spreekt; gij ziet wel, dat hij elders vertoeft. Waar is de wind, meester, is hij noordwest?
— Er is geen noordwestenwind in de hel, riep Pagès, en de meester is in de hel; gij wildet mij niet gelooven, toen ik zeide, dat wij daarheen gaan.
Wat bezielde hen? hadden zij allen hun verstand verloren? werden zij krankzinnig? Maar dan zouden zij twist krijgen en gaan vechten en elkaar misschien doodslaan.
Wat zou ik doen?
— Wilt gij drinken, meester?
— Neen dank u, ik zal wel drinken als ik mijn eierstruif eet.
Geruimen tijd spraken zij met hun drieën, zonder elkander te antwoorden, en te midden van hun onzamenhangende woorden, hoorden wij altijd „eten, uitgaan, hemel, wind."
Eensklaps kwam ik op de gedachte om een lamp aan te steken.
Zij stond naast den meester met de lucifers erbij, en ik nam ze.
Zoodra er licht was, zwegen allen.
Na een oogenblik stilte vroegen zij elkaar af wat er eigenlijk gebeurde, alsof zij uit een droom ontwaakten.
— Gij hebt geijld, antwoordde oom Gaspard.
— Wie?
— Gij zelf, meester, en ook Pagès en Bergounhoux; gij zeidet dat gij buiten waart en dat het waaide.
Van tijd tot tijd klopten wij tegen den muur, om onze redders te laten weten, dat wij nog leefden, en wij hoorden dan hun houweelen zonder ophouden op de steenkolen vallen. Maar niet spoedig klonken de slagen krachtiger, hetgeen ons duidelijk te kennen gaf, dat zij nog ver van ons verwijderd waren.
Toen de lamp aangestoken was, liet ik mij afglijden, om water te halen in de schoen, en het scheen mij toe dat het water eenige centimeters gezakt was.
— Het water daalt.
— Goede hemel!
En een oogenblik keerde in aller harten de hoop terug.
Men wilde de lamp aangestoken laten om te zien hoever het water gezakt was, maar de meester verzette zich hiertegen.
Ik dacht dat er toen een opstand zou losbreken. Maar de meester had altijd een goede reden voor hetgeen hij verzocht.
— Wij zullen later de lampen veel meer noodig hebben; als wij ze nu voor niets gebruiken, wat zullen we dan later doen als