Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/283

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dus te zamen. Ik zocht naar de metalen plaat op den muur, ik vond die niet; ik zocht naar de openingen en vond ze evenmin; rechts en links tastte ik altijd tegen den muur. Waar lag de rail?

Ik volgde hem tot aan het einde, maar plotseling hield hij op.

Ik begreep toen, dat de spoorbaan weggespoeld was door den stortvloed water en dat ik mijn gids verloren had.

Door deze omstandigheid werd het mij onmogelijk gemaakt om mijn plan ten uitvoer te brengen en schoot mij niets anders over dan terug te keeren.

Ik had dien weg reeds eenmaal afgelegd en wist, dat ik hier buiten gevaar verkeerde; ik zwom dus met groote snelheid voort om de zijgang te bereiken, de stemmen leidden mij.

Naarmate ik onze schuilplaats naderde, scheen het mij toe, dat de stemmen duidelijker werden, alsof mijn makkers nieuwe krachten verzameld hadden.

Spoedig bevond ik mij aan het begin van de gang en riep op mijn beurt.

— Kom, kom spoedig, riep de meester.

— Ik heb de schacht niet gevonden.

— Dat doet er niet toe; de opening vordert, zij hooren ons roepen en wij hen; weldra zullen wij met elkander kunnen spreken.

Snel beklom ik de trede en luisterde met ingehouden adem. De slagen waren werkelijk veel harder; en de kreten van hen, die tot onze bevrijding werkten, waren nog wel zwak, maar toch vrij duidelijk.

Toen de eerste opwelling van vreugde voorbij was, voelde ik dat ik half bevroren was, en daar er geen warme kleederen waren om mij af te drogen, begroef men mij tot aan het hoofd onder de steenkolen, die altijd een zekere warmte behouden en oom Gaspard met den meester drukten zich tegen mij aan. Ik vertelde hun toen mijn onderzoekingstocht en hoe ik een oogenblik verdwaald was geraakt.

— Hebt gij durven duiken?

— Waarom niet? Ongelukkig heb ik niets kunnen vinden.

— Maar, zooals de meester ook gezegd had, dat deed er nu weinig toe; want, al waren wij niet door de gang gered, het zou door een schacht gebeuren.

Het geroep werd duidelijker en duidelijker, zoodat wij alle hoop hadden spoedig de stemmen te kunnen onderscheiden.

Eenige minuten later hoorden wij deze woorden langzaam uitspreken:

— Met hoeveel zijt gij?

Oom Gaspard had de sterkste stem van ons allen. Hij zou dus antwoorden.