— Nietwaar? Ik meende ook, dat dit goed zou zijn, want gij kunt toch niet alles, wat er in de boeken staat, weten, daar gij niet uit boeken geleerd hebt.
— Een goed meester is meer waard dan het beste boek.
— Wat gij daar zegt, brengt mij nog iets anders in de gedachte: als gij het goedvindt, zou ik aan een echten meester een les vragen, één les ook maar, en dan kon hij alles.zeggen, wat ik niet weet.
— Waarom hebt ge zoo'n les bij een echten meester niet genomen, toen gij alleen waart?
— Omdat echte meesters duur betaald worden en ik wilde die som niet van uw geld afnemen.
Ik nam het Mattia kwalijk, dat hij zoo over een wezenlijken meester dacht, maar mijn dwaze ijdelheid was tegen zijn laatste woorden niet bestand.
— Gij zijt een veel te goede jongen, gaf ik hem ten antwoord; mijn geld is uw geld, daar gij het, evensals ik, verdient, meer en beter zelfs dan ik; gij kunt zooveel lessen nemen als gij wilt en ik zal het ook doen.
Ik voegde er toen moedig bij, hem mijn onwetendheid bekennende:
— Dan kan ik ook leeren wat ik niet weet.
De meester, de ware meester, die wij voor ons wenschten, was geen ketellapper uit het een of ander dorp, maar een artist, een groot kunstenaar, zooals men die in voorname steden vindt.
Op de kaart zag ik, dat, vóór wij Clermont bereikten, de grootste stad, die op onzen weg lag. Mende heette.
Maar was Mende inderdaad een aanzienlijke stad, dat wist ik niet, maar, daar de letters, waarmede de naam van de stad geschreven was, op de kaart vrij groot waren, moest ik mijn kaart wel gelooven.
Wij besloten daarom in Mende de groote uitgave van een muziekles te bekostigen; want hoewel onze verdiensten zeer weinig beteekenden, zoo wilde ik toch het genoegen, dat Mattia wachtte, niet langer uitstellen.
Nadat wij in zijn gansche uitgestrektheid de vlakte van Méjean doorgetrokken waren, die ongetwijfeld de ellendigste en onvruchtbaarste streek ter wereld is, waar water noch bosch is te zien, en handel noch landbouw wordt uitgeoefend, waar men dorpen noch bewoners vindt, kortom, waar men niet aan het leven wordt herinnerd en voortdurend omringd is door verlaten en eenzame oorden, die slechts bekoorlijkheid bezitten voor hen, welke ze in een rijtuig voorbijsnellen, bereikten wij eindelijk Mende.
Daar de avond reeds eenigen tijd was gevallen, konden wij dien dag aan ons voornemen geen gevolg geven om nog een les te nemen; bovendien waren wij uitgeput van vermoeienis.