Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/296

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

mij werken. Meen niet, dat ik u geen goed onderwijs zou geven, omdat ik barbier ben; men moet leven, eten, drinken, slapen en daarvoor zorgt mijn scheermes; al zorg ik voor een ieders baard, daarom ben ik nog geen slecht musicus.

Toen ik dit hoorde, zag ik Mattia bezorgd aan. Wat zou hij antwoorden? Zou ik mijn vriend, mijn makker, mijn broeder verliezen, zooals ik achtervolgens allen die ik beminde, verloren had? Mijn hart kromp ineen. Toch wilde ik aan mijn gevoel niet toegeven. De toestand waarin wij ons bevonden, geleek zeer veel op dien, waarin ik met Vitalis verkeerd had, toen mevrouw Milligan mij bij zich wilde houden: ik wilde mezelf niet dezelfde verwijten doen, die Vitalis zich gedaan had.

— Denk slechts aan u zelf. Mattia, zeide ik op ontroerden toon.

Maar hij wendde zich eensklaps tot mij, terwijl hij mijn hand vatte.

— Mijn vriend verlaten! dat zou mij niet mogelijk zijn. Ik dank u zeer voor uw aanbod, mijnheer.

Espinassous bleef echter bij hem aandringen en beweerde, dat, als Mattia zijn eerste opvoeding bij hem genoten had, men wel een middel zou vinden, om hem naar Toulouse te zenden en vandaar naar het conservatoire te Parijs; maar Mattia antwoordde onveranderlijk:

— Nooit zal ik Rémi verlaten.

Welnu, mijn jongen, ik wil iets voor u doen, zeide Espinassous; ik zal u een boek geven, waaruit gij alles kunt leeren, wat gij niet weet.

Hij begon toen in zijn laden te zoeken: na geruimen tijd, vond hij een boek, dat den titel droeg: Theorie der muziek; het was een oud versleten boek, maar dat deed er niets toe.

Daarop nam hij een pen en schreef op de eerste bladzijde: „Een geschenk aan het kind, dat, als het eenmaal een kunstenaar geworden is, zich den kapper van Mende herinneren zal."

Ik weet niet of zich in dien tijd andere muziekonderwijzers in Mende bevonden dan de barbier Espinassous, maar dezen hebben wij gekend en wij hebben hem nooit vergeten.




VIII.
DE KOE VAN DEN PRINS.


Ik hield veel van Mattia toen wij te Mende kwamen; maar toen wij de stad verlieten, hield ik nog veel meer van hem. Niets maakt de vriendschap inniger dan de zekerheid, dat zij wederkeerig is.