die liefkoozing, want zij lekte onze wangen met haar ruwe tong.
— Ze zoent me, riep Mattia, buiten zich zelven van opgetogenheid.
Het genot de koe te liefkoozen en door haar geliefkoosd te worden zal men beter begrijpen, als men weet dat Mattia noch ik in dit opzicht verwend was; wij behoorden niet tot die gelukkige kinderen, die door hunne moeders zóó overladen worden, dat zij er zich zelfs tegen verzetten. Beiden gevoelden wij, dat ook wij gaarne dat genot zouden hebben gesmaakt.
Den anderen morgen stonden mij op met het krieken van den dag en begaven ons terstond op weg naar Chavanon. Daar ik Mattia dankbaar was voor de hulp, die hij mij had verleend — want zonder hem zou ik nooit die som van honderd zeven gulden bijeen hebben gekregen — gaf ik hem het genoegen onze koe te leiden en hij was recht gelukkig, dat hij het touw mocht vasthouden, terwijl ik er achter liep. Eerst toen wij buiten de stad waren gekomen, ging ik naast hem loopen, om als gewoonlijk met hem te praten, maar vooral om onze koe te zien. Nooit had ik zoo'n mooie koe ontmoet.
Zij zag er dan ook heel goed uit; langzaam stapte zij voort, met haar kop buigende, als een dier, dat volkomen zijne waarde beseft.
Thans behoefde ik niet onophoudelijk mijne kaart te raadplegen zooals ik deed sedert wij Parijs verlaten hadden; ik wist waar ik heenging; en ofschoon er reeds vele jaren verloopen waren sinds ik met Vitalis dien weg had afgelegd, herkende ik toch alle bijzonderheden.
Teneinde onze koe niet te vermoeien en om niet te laat in den avond te Chavanon te komen was mijn plan, te overnachten in het dorp, waar ik den eersten nacht met Vitalis had doorgebracht, op het varen bed waar de goede Capi, toen hij mijn verdriet had bemerkt, zich naast roij uitstrekte en zijn poot in mijne hand legde om mij te kennen te geven, dat hij mijn vriend wilde zijn. Van daar begaven wij ons den anderen morgen op weg, om reeds bijtijds bij moeder Barberin te komen.
Maar het lot, dat ons tot hiertoe zoo gunstig was geweest, werkte ons thans tegen en deed ons van plan veranderen.
Wij hadden bepaald dat wij onzen tocht in tweeën zouden verdeelen en tegen het midden van den dag ons ontbijt zouden gebruiken, vooral ook om onze koe te laten eten van het gras, dat langs den weg groeide.
Tegen tien uren vonden wij een plek waar het gras welig en vet was; daar legden wij onze zakken neder en lieten onze koe in de gracht afdalen.
Eerst wilde ik haar aan het touw vasthouden, maar zij was zoo