Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/309

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ongelukkigen te mishandelen, zonder te weten wat zij gedaan hebben, ja zelfs zonder te weten of zij schuldig zijn of niet.

Aan de gevangenis gekomen, had ik nog een oogenblik hoop: de portier van het stadhuis, die tevens de cipier was en de veldwachter bovendien, wilde ons eerst niet toelaten.

Ik zeide al bij mij zelven, dat dit tenminste een braaf man was. Maar toen de gendarme aanhield, gaf hij eindelijk toe. Voor ons uitgaande, opende hij eene groote deur, die van buiten met een zwaar slot en twee stevige grendels was gesloten. Toen eerst bemerkte ik, waarom hij eerst moeilijkheid had gemaakt om ons te ontvangen: hij had namelijk het vertrek, dat tot gevangenis diende, tot bewaarplaats voor zijn uien ingericht en daarmee dan ook den grond bedekt. Terwijl men onze zakken doorzocht, onze messen en lucifers enz, afnam, veegde de cipier zijne uien in een hoek bijeen. Toen sloot men de deur en het gedruis dat het omdraaien van den sleutel en het dichtschuiven van de grendels maakte, klonk verschrikkelijk akelig.

Wij zaten dus in de gevangenis. Voor hoe lang?

Toen ik me zelven die vraag deed, kwam Mattia voor mij staan en zeide, terwijl hij zijn hoofd voor mij boog.

— Geef me maar een geducht pak slaag; sla nu maar goed raak; je kunt me niet zwaar genoeg straffen voor mijn domheid.

— Je hebt een domme streek begaan en ik heb ze toegelaten; ik ben even dom geweest als jij.

— Ik zou liever hebben, dat je me een pak slaag gaaft; dan zou ik minder verdriet hebben; onze koe! onze arme koe! de koe van den prins!

Hij begon bitter te schreien.

Toen was het mijn beurt om hem te troosten en hem aan 't verstand te brengen, dat onze toestand zoo erg niet was. Wij hadden geen kwaad gedaan en het zou ons niet moeilijk vallen te bewijzen, dat wij onze koe gekocht hadden; de goede veearts van Ussel zou onze getuige wezen.

— En als men ons beschuldigt, dat wij het geld gestolen hebben, waarvoor wij de koe hebben gekocht, hoe zullen wij dan bewijzen, dat wij het eerlijk hebben verdiend? Je ziet toch wel dat ongelukkigen van alles worden verdacht en beschuldigd.

Mattia had gelijk; ik wist maar al te goed, dat men hardvochtig is voor ongelukkigen; de kreten waarmede men ons vervolgd had tot voor de deur der gevangenis, bewezen het immers maar al te goed.

En dan, zeide Mattia, nog altijd weenende, als wij uit de gevangenis ontslagen worden en onze koe terugkrijgen, zullen wij dan vrouw Barberin vinden?

— Waarom zouden wij haar niet vinden?