Maar nog meer genoegen deed het mij, uit hetgeen de vrederechter verder sprak te kunnen opmaken, dat Barberin voor eenigen tijd weder naar Parijs was teruggekeerd.
Dit maakte mij zóó gelukkig, dat ik hem wist over te halen om zich tot het onderzoek bij den veearts te bepalen, daar dit toch voldoende was om te bewijzen, dat wij onze koe niet hadden gestolen.
— En hoe zijt gij aan zooveel geld gekomen, om een koe te kunnen koopen?
Dat was de vraag, waarover Mattia zich zoo ongerust maakte, toen hij voorzag, dat zij ons zou worden gedaan.
— Dat hebben wij verdiend.
— Waar en hoe?
Ik vertelde hem toen hoe wij van Parijs naar Varses en van Varses tot Mont-Dore, stuiver voor stuiver hadden verdiend en bewaard.
— En wat ging-je te Varses doen?
Die vraag noodzaakte mij opnieuw een heel verhaal te geven van mijn lotgevallen. Toen de vrederechter hoorde, dat ik in de mijn van Truyère begraven was geweest, viel hij mij in de rede en op veel zachteren, bijna vriendelijken toon vroeg hij:
— Wie van u beiden is Rémi?
— Die ben ik, mijnheer.
— Hoe bewijst gij dat? Gij hebt geen papieren, zooals de gendarme mij gezegd heeft.
— Neen, die heb ik niet.
Vertel mij dan eens hoe dat ongeluk te Varses in zijn werk is gegaan. Ik heb het verhaal daarvan in de couranten gelezen, en als gij de wezenlijke Rémi niet zijt, kunt gij mij niet misleiden. Ik luister; pas dus goed op.
De vriendelijke toon van den vrederechter gaf mij moed: ik zag duidelijk, dat hij ons niet vijandig gezind was.
Toen ik mijn verhaal had geëindigd, zag de vrederechter mij een poos lang aan en op zijn gelaat was hartelijkheid en deelneming te lezen. Ik verbeeldde me, dat hij mij nu terstond in vrijheid zou stellen: maar dat gebeurde niet. Zonder een woord verder te spreken, liet hij mij alleen. Zeker ging hij thans Mattia in verhoor nemen, om te zien of onze twee verhalen overeenstemden.
Geruimen tijd bleef ik aan mijne eigen overdenkingen overgelaten; eindelijk kwam de vrederechter terug met Mattia.
Ik zal narichten inwinnen te Ussel, zeide hij, en als die, zooals ik hoop, bevestigen wat gij mij verteld hebt, dan zal ik u morgen in vrijheid doen stellen.
— En onze koe? vroeg Mattia.
— Die krijgt gij dan terug.