Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/320

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Toen gingen wij den stal binnen, opdat vrouw Barberin onze koe eens zou bekijken, die nu haar koe was. Bij alles wat zij aan de koe voor goeds ontdekte, uitte zij op nieuw kreten van tevredenheid en bewondering.

— Wat een mooie koe!

Eensklaps stond zij stil en vroeg, terwijl zij mij aanzag:

— Maar dan ben je rijk geworden?

— Dat zou ik ook denken, antwoordde Mattia lachend; wij hebben nog een daalder.

En vrouw Barberin herhaalde alweder, maar nu eenigszins gewijzigd:

— Die goede jongens!

Het deed me goed, dat zij ook aan Mattia dacht en ons in haar hart vereenigde.

Onze koe bleef intusschen maar voortloeien.

— Zij wil gemolken worden, zeide Mattia.

Oogenblikkelijk liep ik naar huis om den net geschuurden blikken emmer te halen, waarin vroeger Roussette werd gemolken en dien ik op zijn gewonė plaats had zien hangen, hoewel het al heel lang geleden was sedert vrouw Barberin een koe op stal had. In het teruggaan vulde ik den emmer met water, zoodat vrouw Barberin de uiers kon wasschen, die vol stof waren.

Welk een genot voor de goede vrouw, toen zij haar emmer voor driekwart gevuld zag met prachtige schuimende melk.

— Ik geloof, dat zij meer melk geeft dan Roussette, zeide zij.

— En wat lekkere melk, zeide Mattia; ze riekt naar oranjebloesem.

Vrouw Barberin zag Mattia vragend aan; zeker wilde zij te weten komen wat oranjebloesem was.

— Dat is iets heel lekkers, dat men in het hospitaal krijgt, als men ziek is, zeide Mattia, die graag vertelde wat hij wist.

Toen de koe gemolken was, brachten wij haar op 't grasveld om daar te grazen en wij gingen in huis, waar ik, toen ik den emmer haalde, onze boter en bloem middenop tafel had gezet.

Toen vrouw Barberin die nieuwe verrassing zag, slaakte zij opnieuw allerlei kreten van verbazing, maar toen meende ik dat het maar beter was openhartig te zijn en ik viel haar in de rede:

— Dat is eigenlijk evengoed voor ons als voor u; wij hebben allebei een geweldigen honger en wij zouden zoo graag wafels eten. Weet ge nog wel hoe, den voorlaatsten avond toen ik hier was, onze wafels niet klaar kwamen en de boter, die u ervoor geleend had, diende om uien in de pan te bakken: dezen keer zullen wij niet gestoord worden.

— Weet-je dan, dat Barberin te Parijs is? vroeg zij.

— Ja.