Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/328

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

was, en omdat hij vroeg of laat voordeel van mij halen zou als hij mij aan mijn ouders teruggaf. Die tijd was echter niet zoo spoedig aangebroken, als hij wel gewenscht had; hij had mij daarom aan Vitalis verkocht; nu zou hij mij aan mijn vader verkoopen.

Welk een onderscheid tusschen die vrouw en haar man; zij had mij niet om mijn geld bemind, die goede moeder Barberin!

O, wat zou ik gaarne een middel gevonden hebben om haar dat voordeel te bezorgen en niet Barberin!

Maar hoe ik ook peinsde en mij in mijn bed keerde en wendde, ik kon er geen bedenken en altijd kwam die wanhopende gedachte mij weer voor den geest, dat Barberin mij bij mijn ouders terugbrengen zou en dat hij bedankt en beloond zou worden.

Ik moest mij dit in elk geval laten welgevallen, daar het onmogelijk anders kon, en mij voorloopig troosten met de gedachte, later, als ik rijk was geworden, te toonen welk onderscheid ik tusschen den man en de vrouw maakte, als ik indegelegenheid was haar te bedanken en te beloonen.

Voor het oogenblik moest ik mij slechts met Barberin bezighouden, of liever ik moest hem zoeken en vinden, want hij behoorde niet tot die echtgenooten, die geen stap doen zonder hun vrouwen daarvan vooraf kennis te geven en haar te zeggen waar zij te vinden zijn, indien zij hem noodig hebben. Alles wat moeder Barberin wist, was dat haar echtgenoot zich te Parijs bevond. Sedert zijn vertrek had hij haar niet geschreven, evenmin had hij iets van zich laten hooren door tusschenkomst van een buurman of landgenoot; het was zijn gewoonte niet om zich aan dergelijke vriendschapsbetuigingen schuldig te maken.

Waar was hij, waar vertoefde hij op het oogenblik? Zij wist het niet juist genoeg om hem een brief te zenden; men kon nergens anders zoeken dan bij twee of drie logementhouders, wier namen zij kende en bij wie men hem zonder twijfel vinden zou. Ik moest dus maar naar Parijs gaan en hem zelf opzoeken.

Mijn blijdschap was zeer groot, dat ik mijn familie zou terugzien, maar toch ging zij met een gevoel van weerzin, zelfs verdriet gepaard.

Ik had gehoopt, dat ik eenige rustige, gelukkige dagen bij moeder Barberin zou doorbrengen, mijn kinderspelen met Mattia voor den dag zou halen en zie, nu moesten wij ons den anderen dag weder op weg begeven.

Als wij vrouw Barberin verlieten, was ons plan geweest den zeekant langs te reizen om Martha te bezoeken — wij moesten van deze reis dus afzien en ik zou die goede Martha, die altijd zoo lief voor mij geweest was, vooreerst niet wederzien.

Vandaar zouden wij naar Lize gegaan zijn, om haar de groeten