kind heeft verzorgd en zijn kinderen als een broer van hem hielden; en ik meen, dat zij, die zich zoo jegens hem gedragen hebben, evenveel recht op zijn vriendschap hebben, als zij, die willens of onwillens, hem aan zijn lot hebben overgelaten. Bij vader Acquin hebben zij hem uit eigen beweging zooveel vriendschap betoond; zij waren dit volstrekt niet verplicht.
Mattia zeide dit op een toon, alsof hij boos op mij was, want hij verwaardigde mij noch vrouw Barberin met een blik. Dit deed mij leed, maar het pijnlijke van dit verwijt belette niet, dat ik toch de juistheid ervan geheel gevoelde. Bovendien verkeerde ik in dien toestand, waarin besluitelooze menschen zich dikwijls aan de zijde scharen van hen, die het laatst gesproken hebben.
— Mattia heeft gelijk, hernam ik, en het heeft mij dan ook niet weinig moeite gekost, om tot het besluit te komen, naar Parijs te gaan, vóór dat ik Martha en Lize bezocht had.
— Maar uw ouders! herhaalde moeder Barberin.
— Ik moest nu voor mijn meening uitkomen en tevens allen tevredenstellen.
Wij zullen niet naar Martha gaan, zeide ik, omdat dit een te groote omweg zijn zou; zij kan ook lezen en schrijven, wij kunnen haar dus door een brief van alles op de hoogte stellen; maar vóór wij naar Parijs gaan, kunnen wij ons naar Dreuze begeven, om Lize te bezoeken; al kost dit wat meer tijd, dan maakt dat toch niet zoo'n groot verschil uit, en Lize kan niet schrijven of lezen. Vooral ook om harentwille besloot ik mijn reis op deze wijs te nemen; ik zal haar alles van Alexis vertellen, en aan Martha wil ik vragen mij een brief te schrijven, dien ik haar dan zal voorlezen.
— Goed, antwoordde Mattia glimlachend.
Wij kwamen daarop overeen, dat wij den anderen morgen vertrekken zouden en een gedeelte van den dag gebruikte ik om aan Martha te schrijven en haar mede te deelen, waarom ik haar niet, zooals mijn voornemen was, kwam bezoeken.
En den anderen morgen moest ik andermaal al het smartelijke van een afscheid ondervinden; maar nu tenminste verliet ik Chavanon niet zooals den vorigen keer met Vitalis; ik mocht moeder Barberin thans een afscheidskus geven, en haar beloven, dat ik zoo spoedig mogelijk met mijn ouders tot haar zou terugkeeren. Den avond vóór ons vertrek spraken wij nog geruimen tijd over het geschenk dat ik haar geven zou niets zou te mooi en te goed voor haar zijn; ik zou immers rijk worden?
Niets heeft voor mij zooveel waarde als de koe, mijn beste Rémi, zeide zij, en met al uw rijkdom kunt gij mij niet gelukkiger maken dan gij gedaan hebt, toen gij arm waart.
Wij moesten ook onze lieve kleine koe verlaten; Mattia drukte