Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/331

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

herhaaldelijk een kus op haar snuit, dat zij zeer prettig scheen te vinden, want bij elken kus stak zij haar tong uit.

Wij bevonden ons thans weder op den grooten weg, met onzen ransel op den rug en Capi naast ons; wij liepen met haastigen tred, of liever, van tijd tot tijd zonder te weten wat ik deed, zette ik het op een drafje, zoo groot was mijn verlangen om Parijs te bereiken.

Maar Mattia, die mij een korte poos bijgehouden had, waarschuwde mij, dat, zoo ik op deze wijze bleef loopen, mijn krachten spoedig zouden zijn uitgeput. Ik volgde zijn raad, om een oogenblik daarna weder denzelfden tred te nemen.

— Wat hebt gij een haast! zeide Mattia op verdrietigen toon.

— Dat heb ik ook, en ik vind dat gij die ook wel mocht hebben, want mijn familie zal ook uw familie zijn.

Hij schudde het hoofd.

Deze beweging, die ik reeds meer had opgemerkt als er van mijn familie sprake was, ergerde mij en deed mij leed.

— Wij zijn immers broeders?

— O, dat zijn wij voor elkander, daar twijfel ik niet aan, ik ben heden uw broeder en zal dat ook morgen zijn, dat geloof ik zeer goed, dat voel ik zelfs.

— Welnu dan?

— Welnu? waarom wilt gij dat ik een broeder zijn zou van uw broeders, zoo gij die hebt, de zoon van uw vader en moeder?

— Als wij naar Lucca zouden gegaan zijn, was ik dan niet de broeder geworden van uw zuster Christina?

— O ja, zeer zeker.

— Waarom zoudt gij dan niet de broeder worden van mijn broeders en zusters, zoo ik die heb?

— Omdat dit niet hetzelfde is, volstrekt niet hetzelfde.

— Waarom niet?

— Ik ben niet in zulk fijn linnen gewikkeld geweest, antwoordde Mattia.

— Wat doet er dat toe?

— Dat doet er zeer veel toe; dat doet er alles toe, dat weet gij even goed als ik. Gij zoudt in Lucca gekomen zijn — en ik zie thans zeer goed dat gij nooit daarheen gaan zult — en daar door arme menschen zijn ontvangen, die mijn ouders waren en die u niets te verwijten hadden, omdat zij veel armer zijn dan gij. Maar als het uitkomt, zooals het fijne linnen voorspelt, zooals moeder Barberin denkt en zooals werkelijk het geval zal zijn, dan zijn uw ouders rijk, misschien behooren zij zelfs tot de aanzienlijkste menschen! Hoe zouden zij dan zulk een kleinen armen knaap, als ik ben, kunnen ontvangen?

— Ben ik dan zelf iets meer?

— Op het oogenblik niet, maar morgen zijt gij hun zoon en