Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/332

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ik zal altijd dezelfde arme knaap blijven, die ik heden ben; men zal u naar de akademie zenden; men zal u meesters geven, terwijl ik altijd alleen in de wereld zal blijven en mijn eigen weg zal moeten vinden, om dan aan u te denken, zooals ik hoop, dat gij ook aan mij zult doen.

— O, mijn goede, beste Mattia! hoe kunt gij zoo spreken?

— Ik spreek zooals ik denk, o mio caro, en daarom kan ik mij niet in uw geluk verheugen; daarom, dáárom alleen ook, omdat wij van elkander zullen moeten scheiden; en ik meende, ik verbeeldde mij, dikwijls zelfs heb ik dat gedroomd, dat wij altijd bij elkander zouden blijven, zooals thans. Maar niet geheelen-al zooals nu, niet als arme straatmuzikanten; wij zouden samen gewerkt hebben, wij zouden groote artisten geworden zijn en voor een muzikaal publiek optreden, en elkander nooit verlaten.

— Maar dat zal allemaal gebeuren, mijn goede Mattia; als mijn ouders rijk zijn, dan zullen zij dat even goed voor u als voor mij zijn; als ik naar de akademie ga, gaat gij met mij mede; wij zullen elkander niet meer verlaten; wij zullen samen werken, samen opgroeien en leven, zooals gij dat verlangt en zooals ik het ook wensch; dat verzeker ik u.

— Ik weet wel, dat gij het wenscht, maar gij zult dan niet meer uw eigen meester zijn, gelijk thans.

— Luister eens: als mijn ouders mij zoeken, dan is dit een bewijs, nietwaar, dat zij belang in mij stellen, dat zij mij liefhebben of mij zullen liefhebben. In dat geval, dan zullen ze mij niets weigeren. En ik verlang slechts, dat zij hen gelukkig maken, die goed voor mij geweest zijn, die mij liefgehad hebben toen ik alleen op de wereld was, zooals moeder Barberin, vader Acquin, die zij zeker uit de gevangenis zullen bevrijden. Mattia. Alexis. Benjamin. Lize en gij; Lize zullen zij bij zich nemen, laten genezen en leeren, en u zullen zij met mij naar de akademie zenden, zoo ik daarheen moet gaan. Geloof mij, zoo zal de zaak zich toedragen, als mijn ouders rijk zijn en gij weet, dat ik het heerlijk zou vinden, als zij het waren.

— En ik zou het prettig vinden, als zij arm waren.

— Hoe dom!

— Misschien.

En zonder meer te spreken, riep Mattia Capi; het was langzamerhand tijd geworden om iets te eten; hij nam den hond in den arm en sprak tegen hem alsof het een mensch was, die hem verstaan en begrijpen kon.

— Nietwaar, oude Capi, gij zoudt het ook prettiger vinden als de ouders van Rémi arm waren?

— Toen Capi mijn naam hoorde, begon hij, zooals altijd, te blaffen en hij legde den rechterpoot op zijn hart.