Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/35

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— Dat hebben we niet afgesproken, zeide Vitalis; gij moet mij al zijn kleedingstukken geven en dit zijn eenige lompen.

— Hij heeft niets anders.

Als ik het aan den knaap vroeg, zou hij zeggen, dat het een leugen was. Maar ik wil daarover niet met u twisten. Ik heb geen tijd daartoe. Ik moet weg. Kom ventje, hoe heet gij?

— Rémi.

— Kom Rémi, neem nu het pakje en ga vooruit Capi.

Ik stak eerst hem en daarop Barberin mijn hand toe, maar beiden keerden het hoofd om en ik voelde dat Vitalis mij bij den pols greep.

Ik moest loopen.

O, mijn dierbaar huis! het was mij, toen ik den drempel overschreed, of ik een gedeelte van mijn leven daar achterliet. Ontvoerd wierp ik nog een blik om mij heen; mijn oogen vulden zich met tranen toen ik niemand zag, aan wien ik om hulp smeeken kon; niemand op weg, niemand in mijn onmiddellijke nabijheid.

Ik riep:

— Moeder, moeder Barberin!

Maar niemand gaf eenig antwoord op mijn angstkreet, die in een snik eindigde.

Ik moest Vitalis volgen, die mijn pols niet had losgelaten.

— Goede reis! riep Barberin.

En hij ging weder in huis. Helaas! Er viel thans niets meer aan te veranderen.

— Kom Rémi, laten wij nu ook gaan, sprak Vitalis. En hij trok mij bij den arm mede.

Ik ging toen naast hem loopen. Gelukkig versnelde hij zijn pas niet en ik geloof zelfs, dat hij hem naar mijn stap regelde.

De weg, dien wij volgen moesten, was bergopwaarts en bij elke kronkeling, die hij maakte, zag ik het huis van vrouw Barberin, maar telkens al kleiner en kleiner. Menigmaal had ik dit pad beklommen en ik wist dan ook, dat ik bij den laatsten hoek de woning nog slechts eenmaal zien zou en zoodra wij de vlakte bereikt hadden, die geheel uit het oog zou verliezen; ik zou ze dan nooit wederzien en vóór mij strekte zich het onbekende Uit, en achter mij lag het huis, waarin ik tot op dezen dag gelukkig geweest was en dat ik nooit in mijn leven weder betreden zou.

Gelukkig moesten wij geruimen tijd klimmen; eindelijk bereikten wij dan ook den top.

Vitalis had mij steeds bij de hand gehouden.

— Mag ik een oogenblik rusten? vroeg ik hem.

— Met alle genoegen, mijn jongen. En voor de eerste maal liet hij mijn hand los.