— Hij vindt dat die lucht lekker ruikt , zeide Mattia in het italiaansch.
Het mannetje zag ons aan en zonder een woord te spreken riep hij : Pst ! pst ! alsof wij een paar honden waren, en dit beteekende dat wij hem op de hielen moesten volgen en hem niet uit het oog moesten verliezen.
Weldra waren wij in eene groote straat gekomen , waar het wemelde van wagens en rijtuigen ; hij hield er een aan , waarvan de koetsier , inplaats van op den bok vlak achter zijn paard , hoog boven en achter de kap zat; later vernam ik , dat zulke rijtuigen cabs heetten.
Hij deed ons plaats nemen in het rijtuig , dat van voren open was en door een opening in de kap begon hij een gesprek met den koetsier. Verscheidene malen sprak hij het woord Bethnal-Green uit en ik dacht, dat dit de naam was van de wijk waar mijne ouders woonden. Ik wist dat green in het engelsch groen beteekende en dit deed me vermoeden , dat die wijk met fraaie boomen was beplant , wat mij recht aangenaam was. Dat zou dus heel iets anders zijn dan die leelijke sombere straten van Londen , die wij bij onze aankomst doorkruist hadden. Het was zeker een mooi huis op een ruim plein , omringd van boomen.
Het gesprek tusschen onzen geleider en den koetsier duurde zeer lang ; nu eens richtte de een zich op om door de opening eenige inlichtingen aan den koetsier te geven ; dan weder was het deze die van zijn bok scheen te willen klimmen om door de opening te zeggen , dat hij volstrekt niets begreep van hetgeen men hem uitduidde .
Mattia en ik hadden ons in een hoek teruggedrongen met Capi tusschen ons en luisterden naar het gesprek. Het verwonderde me inwendig , dat die koetsier eene plaats , zoo mooi als Bethnal-Green, niet kende ; er moesten dus vele van die groene pleinen in Londen zijn . Dat was vreemd , want te oordeelen naar hetgeen wij gezien hadden , zou ik eer gedacht hebben , dat alles met roet was bedekt.
Wij reden vrij snel door breede straten , dan door enge straten , dan weder door breede straten , maar zonder iets om ons heen te onderscheiden , zoo dicht was de nevel die alles omringde. Het begon koud te worden en toch voelden wij eene belemmering in de ademhaling , alsof wij stikken zouden . Als ik zeg „wij" , bedoel ik Mattia en mij , want onze geleider scheen het weer prettig te vinden ; telkens haalde hij diep adem met wijd geopenden mond , als wilde hij een grooten voorraad lucht in zijn longen opdoen en nu en dan deed hij weder zijn vingers kraken en rekte hij zijne beenen uit. Zou hij jarenlang in een toestand hebben doorgebragt , dat hij zich niet bewegen kon en haast geen adem kon halen?