Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/365

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Waar gaan wij heen? Ik begon mij ongerust te maken en van tijd tot tijd zag Mattia mij aan. Maar hij deed mij geen enkele vraag.

Uit de straat sloegen wij een steegje in, dat ons op een klein plein bracht en daarop weder een steegje. De huizen zagen er nog ellendiger uit dan in het kleinste dorpje in Frenkrijk. Verscheidene bestonden slechts uit planken als schaapskooien of stallen; toch waren het huizen; vrouwen blootshoofds en kinderen in lompen zaten op den drempel.

Als eene flauwe schemering ons instaatstelde iets beter te zien, bespeurde ik dat die vrouwen zeer bleek zagen, haar lichtblonde haren hingen over de schouders; de kinderen waren bijna naakt en de weinige kleeren, die ze aan 't lijf hadden, waren lompen. In een der steegjes zagen wij varkens in het stilstaande water der goot wroeten, waaruit een walgelijke geur oprees.

Onze geleider stond weldra stil; blijkbaar wist ook hij nu den weg niet meer; maar op dat oogenblik naderde ons een man, met een lange blauwe jas aan en een glimmend lederen hoed op, en die een half zwart- half witten band om den arm droeg. Een koker hing aan zijn gordel. Het was een policeman.

Onze geleider sprak hem aan en weldra begaven wij ons op weg, voorgegaan door den policeman; wij gingen steegjes en poorten en kronkelende straten door, en het scheen me toe, dat verscheidene huizen op het punt waren van in te storten.

Eindelijk stonden wij stil op een plein, waarvan het middelvak uit een moeras bestond.

Red Lion court, zeide de agent van politie.

Die woorden, welke ik reeds verscheidene malen gehoord had, beteekenden: de Plaats van den Roode-Leeuw, zooals Mattia voor mij vertaalde.

Waarom stonden wij stil? Onmogelijk konden wij reeds te Bethnal-Green zijn; woonde in dit huis mijne ouders? Maar dan!...

Ik had den tijd niet om over die vragen, die in mijn onrustig hart oprezen, na te denken. De agent van politie klopte op de deur van eene soort van houten loods, en onze geleider bedankte hem: wij waren dus waar wij wezen moesten.

Mattia, die mijn hand niet losgelaten had, drukte die en ik drukte wederkeerig de zijne.

Wij begrepen elkander; de angst, die zich van mijn hart had meester gemaakt, deed ook het zijne kloppen.

Ik was zoo ontroerd, dat ik niet weet hoe de deur, waarop de agent van politie geklopt had, geopend werd; maar van het oogenblik af, dat wij binnengetreden waren in het groote vertrek, dat verlicht werd door eene lamp en een groot kolenvuur op een fornuis, heb ik mijne herinnering behouden.

Vóór dat vuur, in een matten stoel, die den vorm had van een