Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/367

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

volstrekt niets gevoelde, nu ik eindelijk mijn familie gevonden had! Ik had een vader, eene moeder, broers en zusters en zelfs een grootvader; ik was in hun midden en ik bleef koud en ongevoelig. Met een koortsachtig verlangen had ik dit oogenblik tegemoet gezien; ik was half krankzinnig van blijdschap geweest bij de gedachte, dat ook ik een tehuis zou hebben, ouders, die ik kon liefhebben en die mij zouden liefhebben, en daar stond ik nu verlegen en keek hen allen nieuwsgierig aan, maar in mijn hart voelde ik niets; er rees geen woord op, dat ik hun kon toevoegen. Was ik dan een monster? Was ik dan niet waard ouders en broers en zusters te hebben?

Als ik mijn ouders in een paleis gevonden had, inplaats van in zulk een stulp, zou ik dan niet voor hen die teederheid hebben gevoeld, die vroeger mijn hart vervulde bij de gedachte aan een vader en een moeder, die ik niet kende, eene liefde die ik niet aan den dag kon leggen tegen den vader en de moeder, die ik zag?

Die gedachte deed mij bijna blozen van schaamte. Ik ging weer naar mijne moeder toe, omhelsde haar opnieuw en kuste haar vurig. Zeker begreep zij niet waaraan zij die opwelling moest toeschrijven, want inplaats van mijne kussen te beantwoorden zag zij mij met haar onverschilligen blik aan en zeide toen iets tot haar man, mijn vader, waarbij ze even de schouders ophaalde.. Zij sprak iets dat ik niet verstond, maar dat hem deed lachen. Die onverschilligheid van de eene en dat lachen van den ander deden mijn hart bijna breken; ik meende, dat die teederheid van mijn kant toch niet verdiende zóó beantwoord te worden.

Maar men liet mij geen tijd om lang aan mijn indrukken toe te geven.

— En die daar? vroeg mijn vader, naar Mattia wijzend, wie is dat?

Ik vertelde hem welke banden mij aan Mattia hechtten en ik trachtte in mijne woorden iets in te lasschen van de vriendschap, die ik van hem ondervond en de dankbaarheid, die ik hem verschuldigd was.

— Jawel, zeide mijn vader; hij heeft de wereld eens willen zien.

Ik wilde antwoorden, maar Mattia voorkwam me.

— Juist, dat is het, zeide hij.

— En Barberin? vroeg mijn vader. Waarom is die niet meegekomen?

Ik vertelde hem, dat Barberin dood was en welk eene teleurstelling dit voor mij was, toen wij te Parijs waren gekomen, nadat wij te Chavanon van vrouw Barberin hadden gehoord, dat mijne ouders mij zochten.

Mijn vader vertaalde toen voor mijne moeder wat ik gezegd had en ik meende te verstaan, dat zij zeide, dat dit heel goed en wel was; althans zij gebruikte bij herhaling de woorden well en good,