muts onderscheiden kon, die als een vlinder met zijn bleeke kleuren tusschen de boomen fladderde.
Maar er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart beter verder ziet dan de scherpste blik: ik herkende moeder Barberin; zij was het, daar was ik zeker van; ik voelde dat zij het was.
— Kom, zeide Vitalis, zullen we verder gaan?
— Och mijnheer, als je blieft, nog niet.
— Het is dan toch een leugen die men mij verteld heeft; gij hebt geen beenen: nu reeds moe te zijn, dat belooft niet veel goeds.
Maar ik gaf geen antwoord, ik staarde slechts voor mij.
Het was vrouw Barberin, het was haar muts, het was haar blauwe japon, kortom zij was het.
Zij liep snel voort, alsof zij haast had om thuis te komen.
Toen zij het hek bereikt had, duwde zij dat open en liep met groote schreden den tuin door.
Ik sprong plotseling van het gras op, zonder op Capi te letten, die eveneens opsprong.
Vrouw Barberin bleef niet lang in huis Zij kwam spoedig weer uit de deur en liep den tuin heen en weer; zij zocht mij.
Ik boog mij voorover en uit alle macht riep ik:
— Moeder! moeder!
Maar mijn stem kon niet tot haar doordringen, noch het kabbelen van de beek overstemmen; zij ging in de lucht verloren.
— Wat hebt gij? vroeg Vitalis, ik geloof, dat gij gek wordt.
Zonder te antwoorden hield ik de oogen op vrouw Barberin gevestigd, maar zij wist niet, dat ik zoo dicht bij haar was en zij zag niet naar boven.
Zij had nu den tuin ten einde geloopen en liet haar oog naar alle kanten gaan.
Ik riep nog luider, maar evenals de eerste maal, was het ook thans te vergeefs.
Vitalis giste toen de waarheid en beklom ook de helling. Hij bespeurde terstond de witte muts.
— Arme jongen! fluisterde hij.
— Ach, als je blieft, riep ik, aangemoedigd door zijn medelijden, laat mij toch teruggaan.
Maar hij vatte mij bij de hand en liep den weg op.
— Nu zijt gij uitgerust en kunnen we dus voortloopen.
Ik wilde mij losrukken, maar hij hield mij stevig vast.
— Capi! zeide hij. Zerbino! en de beide honden omringden mij. Capi achter mij. Zerbino vooruit.
Ik moest Vitalis dus wel volgen.
Toen wij eenige schreden gedaan hadden, wendde ik het hoofd om.
Wij daalden nu den bergtop af en ik kon noch het dal, noch