zand, dat hij met krachtige vegen met den bezem opzijde schoof, werd weldra een luik zichtbaar; hij lichtte het op, mijne moeder was intusschen gereed gekomen met het vullen en toebinden der twee zakken en hij daalde er mede in een kelder, waarvan ik de diepte niet zien kon, terwijl mijne moeder hem bijlichtte met de lantaarn. Toen de twee pakken geborgen waren, kwam mijn vader weder te voorschijn, sloot het luik en veegde weder het zand er overheen. Toen hij dit gedaan had, was het onmogelijk den ingang van den kelder te bespeuren. Over het zand strooiden zij weder eenig hooi, waarmede de vloer van den stal bedekt was.
Toen gingen zij heen.
Op het oogenblik dat zij zonder gedruis de deur sloten, kwam het mij voor dat ik Mattia zich hoorde bewegen: het was alsof hij zijn hoofd op zijn kussen legde.
Had hij ook gezien wat er gebeurd was? Ik durfde het,hem niet vragen; het was geene onbestemde vrees meer, die mij vervulde; ik wist thans waarom ik zoo angstig te moede was: van het hoofd tot de voeten brak mij het koude zweet uit.
Zoo bleef ik den ganschen nacht liggen; een haan in de buurt kondigde het aanbreken van den dag aan; eerst toen viel ik in slaap, maar het was een zware, koortsachtige slaap vol akelige droombeelden, die mij met schrik en angst vervulden.
Het piepen van scharnieren deed mij ontwaken en de deur van onzen wagen werd geopend; maar daar ik mij verbeeldde dat het mijn vader was, die ons kwam zeggen dat het tijd was om op te staan, sloot ik de oogen om hem niet te zien.
— 't Is uw broer, zeide Mattia, die ons bevrijden kwam hij is al weg ook.
Wij stonden op; Mattia vroeg mij niet of ik goed geslapen had en ook ik vroeg hem niets. Toen hij mij op zeker oogenblik aanzag, wendde ik de oogen af.
Wij moesten naar de keuken, maar mijn vader en moeder waren er niet; mijn grootvader zat in zijn leunstoel, alsof hij er niet uit was geweest sedert den vorigen dag en mijn oudste zuster, die Annie heette, maakte de tafel schoon, terwijl mijn oudste broer Allen het vertrek aanveegde.
Ik ging naar hen toe om hun een hand te geven, maar zij gingen voort met hun arbeid zonder mij te antwoorden.
Ik ging toen naar mijn grootvader, maar deze liet mij niet bij zich komen en evenals den vorigen dag spuwde hij naar mijn kant, wat mij terug deed keeren.
— Vraag eens hoe laat ik mijn vader en moeder zal zien, zeide ik tot Mattia.
Mattia deed wat ik hem verzocht, en toen mijn grootvader engelsch