vasthoudende, maar zonder een woord te spreken en zonder te weten, waar wij heengingen.
— Waar wilt ge naar toe? vroeg Mattia met zekere onrust.
— Ik weet het niet, naar de eene of andere plek, waar wij samen kunnen praten. Ik heb u iets te zeggen en hier, onder al die menschen kan ik dat niet doen.
Toen ik nog over velden en door bosschen zwierf had ik dan ook, op het voorbeeld van Vitalis, mij gewend, om nooit iets van eenig belang te zeggen; wanneer wij ons in eene straat van een stad of dorp bevonden en als ik menschen om mij heen zag, kon ik nooit goed mijne gedachten bij elkander houden; nu wilde ik met Mattia ernstig spreken en wel weten wat ik zeide.
Op het oogenblik dat Mattia mij de vraag deed, waren wij in eene straat gekomen breeder dan de stegen, waar wij tot hiertoe hadden rondgedoold; ik meende aan het einde van die straat boomen te bespeuren. Misschien was daar wel de vrije natuur. Wij volgden die richting. Het was de vrije natuur niet, maar een zeer groot park met uitgestrekte grasvelden en hier daar groepjes jonge boomen. Hier waren wij waar wij wezen moesten om samen te praten.
Mijn besluit was genomen en ik wist wat ik zeggen wilde.
— Ge weet dat ik veel van u houd, mijn beste Mattia, zeide ik tot mijn makker, zoodra wij op een afgelegen schaduwrijk plekje ons hadden neergezet, en ge weet ook wel, dat ik uit vriendschap u gevraagd heb om met me naar mijn ouders te gaan. Je zult dus niet aan mijne vriendschap twijfelen, wat ik u ook vragen mocht.
— Wat een domme vraag! zeide hij, terwijl hij poogde te glimlachen.
— Je wilt lachen opdat ik niet bedroefd zou zijn, maar het doet er niet toe of ik bedroefd ben; bij wien kan ik weenen, als het niet bij u is?
En mijn armen om Mattia heenslaande, barstte ik in tranen los; nooit had ik mij zoo ongelukkig gevoeld als ik alleen was, temidden van die groote woelige wereld.
Toen ik uitgeweend had, trachtte ik weder bedaard te worden; ik had Mattia niet in dit park gebracht om mij door hem te doen beklagen; 't was niet voor mij, maar voor hem dat ik er heengegaan was.
— Mattia, zeide ik, gij moet heengaan; gij moet naar Frankrijk terugkeeren.
— U verlaten? Nooit.
— Ik wist vooruit, dat ik dit antwoord van je krijgen zou en ik ben gelukkig, dit verzeker ik je, dat gij mij nooit wilt verlaten; maar toch moet het; ge moet naar Frankrijk of naar Italie of ergens anders heengaan, maar niet in Engeland blijven.