Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/377

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zelven gedacht; ik dacht bij mij zelven, dat als gij broers en zusters hadt, gij die zoudt liefhebben als mij en meer misschien dan mij; rijke broers en zusters, die goed waren opgevoed, veel wisten, mooie jongeheeren en jongejuffrouwen, en ik was jaloersch van hen. Dit moet gij weten; dat is de waarheid, die ik u beken en waarvoor ik vergiffenis vraag, als gij zulke slechte gedachte vergeven kunt.

— O Mattia!

— Zeg, dat ge mij vergeeft.

— Van ganscher harte; ik heb uw verdriet wel opgemerkt, maar ik nam het u niet kwalijk. Omdat ge zoo'n goed hart hebt; ge moet over hen, die slecht zijn, niet zoo goed denken, en ik ben slecht geweest. Maar als ge mij vergeeft, omdat ge goed zijt, ik vergeef niet, omdat ik slecht ben. Gij weet nog niet alles. Ik dacht bij me zelven: ik ga met hem naar Engeland, omdat ik het land wel eens zien wil; maar als hij gelukkig zal zijn, heel gelukkig, dan ga ik heen en zonder ergens op te houden, reis ik naar Lucca, om Christina te omhelzen. Maar inplaats van rijk en gelukkig, zooals we geloofden, dat gij worden zoudt, zijt gij nu niet rijk en.., in ieder geval, gij zijt niet, wat gij gedacht hadt te zullen wezen. Daarom moet ik nu ook niet heengaan en niet mijn zusje moet ik gaan omhelzen, maar mijn goeden makker, mijn Rémi, moet ik gezelschap houden: hij is mijn vriend, mijn broeder.

Met die woorden greep hij mijn hand, terwijl tranen in zijn oogen welden, maar zij waren nog heeter en bitterder dan de tranen, die ik gestort had.

— Hoe aangedaan ik ook was, mijn besluit liet ik daarom niet varen.

— Gij moet heen; gij moet naar Frankrijk terugkeeren, om daar Lize te bezoeken, vader Acquin en vrouw Barberin, en al mijne vrienden en hun meedeelen, waarom ik niet doe wat ik wilde, wat ik mij voorstelde en wat ik hun beloofd heb. Gij zult hun zeggen, dat mijne ouders niet rijk zijn, zooals wij geloofd hadden en dit zal voldoende zijn voor mijne verontschuldiging. Gij begrijpt het nu, nietwaar? Zij zijn niet rijk; dit verklaart alles: het is geen schande niet rijk te zijn.

— Het is niet omdat zij niet rijk zijn, dat gij mij wilt heen doen gaan; daarom ga ik dan ook niet heen.

— Mattia, ik smeek u, vermeerder mijn verdriet niet; gij ziet hoe groot het reeds is.

— O, ik wil u niet dwingen om mij iets te zeggen waarover gij u schaamt. Ik ben niet slim; ik ben niet verstandig; maar zoo ik al niet begrijp wat tot mijn hersens moest kunnen doordringen, ik gevoel toch wat mij hier treft — hij legde bij die woorden zijn hand op het hart —. 't Is niet, omdat uwe ouders arm