Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/382

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

paarden, die gemend werden door dikke, groote koetsiers met gepoederde prniken.

Eerst laat keerden wij in De Roode Leeuw terug, want de afstand is groot tusschen Westend en Bethnal-Green, en ik was recht blij Capi weer te zien, wel wat beslijkt, maar gezond en vroolijk.

Ik was zoo in mijn schik, toen ik hem weerzag, dat ik hem terstond met mijn droge hand afwreef en hem in mijn schapevacht wikkelde en in mijn bed legde. Wie de gelukkigste van ons beiden was, hij of ik, zou ik moeilijk kunnen zeggen.

Zoo leefden wij eenige dagen; des morgens vroeg gingen wij uit en des avonds laat keerden we terug, na al onze stukjes te hebben gespeeld, nu eens in de eene buurt dan in de andere, terwijl van zijn kant Capi voorstellingen ging geven onder leiding van Allen en Ned; maar op een avond zeide mijn vader, dat ik den volgenden morgen Capi met mij zou kunnen nemen, daar hij Allen en Ned thuis zou houden.

Dat deed ons veel plezier en Mattia en ik namen ons voor, dat wij dien dag zulk eene goede som gelds zouden thuis brengen, dat men hem ons voortaan altijd zou meegeven. Wij moesten Capi weder voor ons winnen en wij zouden dus geen moeite ontzien.

Des morgens maakten wij hem dus zoo mooi mogelijk, en na het ontbijt begaven wij ons op weg naar die buurt, waar wij bij ondervinding wisten, dat het geachte publiek het mildst was. Wij moesten daartoe geheel Londen van het oosten naar het westen doorsteken door Old Street Holborn en Oxford Street.

Ongelukkig voor ons en zeer nadeelig voor onze onderneming, trok de mist, die al twee dagen duurde, maar niet op. De lucht, of wat men in Londen de lucht noemt, bestond uit een oranjeachtigen nevel en in de straten hing eene soort van grijzen damp, die belette, dat men niet verder dan een paar schreden voor zich uit kon zien. De menschen zouden dus hun huis niet uitkomen, en zoo men ons al kon hooren, men zou Capi niet zien. Er was dus niet veel kans op een goeden dag, en Mattia verwenschte den mist, dien akeligen fog, zonder te gissen welk een dienst hij een oogenblik later aan ons alle drie bewijzen zou.

Wij stapten stevig door, en hielden Capi vlak achter ons; een woord, dat ik hem van tijd tot tijd toevoegde, was daartoe meer voldoende dan de stevigste ketting. Zoo kwamen wij in Holborn, dat, zooals men weet, een der drukste straten van Londen is, waarin men de meeste winkels vindt. Opeens ontdekte ik, dat Capi ons niet meer volgde. Wat was er met hem gebeurd? Dit was iets geheel buitengewoons. Ik stond stil om hem op te wachten, vatte post op den hoek van eene dwarsstraat en floot zachtjes,