Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/385

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dat zoo ik werkelijk het kind was van die familie, men andere gevoelens mij zou toedragen dan mij nu zoo onbewimpeld werden getoond, terwijl ik, van mijn kant, niets gedaan had om die onverschilligheid en die hardheid te verdienen.

Toen Mattia mij onder den indruk zag van die treurige overpeinzing, begreep hij zeer goed, wat er de oorzaak van was, en alsof hij tot zich zelven sprak, zeide hij:

— Ik ben erg nieuwsgierig wat vrouw Barberin zal antwoorden.

Teneinde den brief te bekomen, die mij „poste restante" zou worden toegezonden, waren wij van onzen gewonen tocht afgeweken en inplaats van naar Holborn te gaan over West-Smith-Field, begaven wij ons naar het postkantoor. Zeer dikwijls deden wij dien tocht tevergeefs, maar eindelijk werd de brief, dien wij met zooveel ongeduld verwachtten, mij ter hand gesteld.

Het groote gebouw van het postkantoor was geen plaats bijzonder geschikt om brieven te lezen. Wij zochten daarom een gang op in eene naburige straat, wat mij tevens den tijd gaf om mijne ontroering eenigszins meester te worden. Daar kon ik eindelijk den brief van vrouw Barberin, of liever van den pastoor van Chavanon, openmaken. Hij luidde:


Mijn lieve Rémi!


„Ik ben zeer verwonderd en ontstemd over hetgeen in uw brief te lezen staat, want naar hetgeen mijn goede Barberin mij altijd gezegd had, zoowel nadat hij u in de Avenue de Breteuil had gevonden als nadat hij met den persoon gesproken had, die u zocht, moesten uwe ouders bemiddelde, ja zelfs vermogende menschen zijn.

„In die meening werd ik bevestigd door de wijze, waarop gij gekleed waart toen Barberin u te Chavanon bracht en uit de kleeren die gij toen aanhadt, bleek klaar, dat zij tot de luiermand behoorden van een rijk kind. Gij verzoekt mij u duidelijk te beschrijven hoe de kleertjes er uitzagen, waarin men u had gewikkeld. Ik kan dit des te gemakkelijker doen, omdat ik al die voorwerpen heb bewaard, daar zij eenmaal misschien strekken konden om u te doen herkennen, als men u mocht opvorderen, wat volgens mij zeker moest gebeuren.

„Maar vooraf moet ik u zeggen, dat gij eigenlijk geen luiers hadt; als ik daarvan soms gesproken mocht hebben was dit uit gewoonte en omdat de kinderen bij ons luiers dragen. Gij hadt die niet; integendeel; zie hier hoe gij waart aangekleed en welke dingen ik bij u heb gevonden: een kanten mutsje, dat niets bijzonders had behalve dat het zeer fraai en kostbaar was; een nauwsluitend hemdje van fijn lijnen met een kantje aan den hals