Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/387

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— Welnu, wij zullen zien. Het was geen gemakkelijke zaak om aan mijn vader te vragen hoe ik gekleed was toen ik gestolen werd. Als ik hem heel argeloos, zonder bijgedachte, die vraag kon doen, zou niets eenvoudiger zijn geweest; maar dit was zoo niet; en het was juist die bijgedachte, die mij beschroomd en aarzelend maakte.

Eindelijk, toen een ijskoude regen ons eens op een avond vroeger naar huis had gedreven dan gewoonlijk, vatte ik moed en bracht ik het gesprek op het onderwerp dat mij zoo onophoudelijk kwelde.

Bij het eerste woord zag mijn vader mij strak aan en trachtte met zijn blik mijne gedachten uit te vorschen, zooals hij gewoon was te doen, wanneer hij zich gekrenkt gevoelde door hetgeen ik zeide, maar ik doorstond zijn blik beter dan ik tot op dat oogenblik gemeend had te kunnen doen.

Ik dacht dat hij woedend boos zou worden en wierp een angstigen blik naar Mattia, die naar ons luisterde, zonder den schijn ervan aan te nemen, om hem getuige te doen zijn van de onhandigheid, die hij mij had doen begaan; maar dit gebeurde niet; toen de eerste aanval van drift voorbij was, begon hij te glimlachen; wel is waar was er iets hards en wreeds in dien glimlach, maar hij glimlachte toch.

— Wat mij het meest geholpen heeft om u terug te vinden, zeide hij, was de beschrijving van de kleeren die gij aanhadt den dag dat men u gestolen heeft: een kanten mutsje, een linnen hemdje met kant geboord, een luier en flanellen jurk, wollen kousjes, gebreide schoentjes, een cachemiren geborduurd manteltje met een kap. Ik had vooral gehoopt, dat de letters, waarmede uw goed gemerkt was. F. D. — Francis Driscoll want zoo is uw naam, — mij op het spoor zouden brengen; maar dat merk is er afgeknipt door haar, die u gestolen heeft en daardoor meende zij te beletten, dat men u ooit ontdekte. Ik moest uw geboorte-akte overleggen, die ik in de parochie gelicht had; deze heeft men mij gegeven en ik moet ze nog hebben.

Toen hij dit zeide, zoo vriendelijk als hij nooit sprak, ging hij zoeken in een lade en weldra kwam hij met een groot stuk papier met verschillende lakken, dat hij mij overreikte.

Ik wendde een laatste poging aan.

— Als gij 't goedvindt, zeide ik, zal Mattia het voor mij vertalen.

— Met genoegen.

Uit die vertaling van Mattia, zoo goed en zoo kwaad als 't kon, bleek, dat ik op Donderdag den 2den Augustus was geboren en de zoon was van Patrick Driscoll en Margaret Grange, zijne vrouw.

Wat behoefde ik nog meer te vragen?

Mattia evenwel was minder voldaan, en toen wij des avonds in