Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/388

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

onzen wagen hadden plaatsgenomen, boog hij zich naar mij toe met zijn mond aan mijn oor, alsof hij mij een geheim wilde toevertrouwen.

— Dat alles is prachtig, zeide hij, maar dat heldert toch nog volstrekt niet op, hoe Patrick Driscoll, rondreizend koopman, en Margaret Grange, zijne vrouw, zoo rijk waren, dat zij aan hun kind een kanten muts konden geven en een hemd met kant geboord en een geborduurd cachemiren manteltje: reizende kooplieden zijn zoo rijk niet.

— Juist omdat zij kooplui waren, kostten hun die kleeren niet zoo veel geld.

— Mattia schudde het hoofd en begon te fluiten; toen fluisterde hij weder en zeide:

— Wil ik u eens zeggen wat mij maar niet uit het hoofd wil: dat gij niet het kind zijt van dien Driscoll, maar het kind dat door Driscoll gestolen werd.

— Ik wilde antwoorden, maar Mattia was al in zijn bed geklommen.




XVII.
DE OOM VAN ARTHUR: JAMES MILLIGAN.

Als ik in de plaats van Mattia was geweest, zou ik misschien even groote verbeeldingskracht hebben gehad als hij; maar in den toestand, waarin ik verkeerde, waren mij zulke onderstellingen niet geoorloofd.

Het gold toch mijn vader.

Voor Mattia was deze slechts Driscoll en niets anders.

En als ik met mijn geest Mattia wilde volgen, dan hield ik mij zelven terug, maar toch niet zóó, als ik wel zou verlangen. Mattia kon van Driscoll denken al wat hij goedvond; voor hem was deze een vreemdeling, aan wien hij niets verplicht was.

Ik daarentegen was allen eerbied aan mijn vader verschuldigd.

Zeker waren er zonderlinge dingen in mijn toestand, maar ik was niet vrij om erover na te denken van hetzelfde standpunt als Mattia.

Mattia mocht eraan twijfelen.

Aan mij was dit niet geoorloofd. En toen Mattia mij zijn twijfel wilde mededeelen, was het mijn plicht hem het zwijgen op te leggen.

Dat trachtte ik ook te doen, maar Mattia was koppig en ik kon er niet in slagen om die koppigheid te overwinnen.

— Sla er maar op, als ge lust hebt, zeide hij, boos wordende, maar luister.