Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/389

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

En toen moest ik wel luisteren naar zijn vragen.

— Waarom hadden Allen. Ned. Annie en Kate lichtblond haar, terwijl de mijne niet blond waren?

— Waarom gedroegen al de leden van de familie Driscoll, behalve Kate, die nog niet wist wat zij deed, zich tegenover mij zoo onaangenaam, alsof ik een schurftige hond was?

— Hoe konden menschen, die niet rijk waren, hun kinderen kleeren met kant geven?

Op al die vragen waarom en hoe, had ik maar één antwoord, dat zelf eene vraag was:

— Waarom zou de familie Driscoll mij gezocht hebben, als ik haar kind niet was? Waarom zou zij geld gegeven hebben aan Barberin en aan Greth and Galley?

Mattia verklaarde, dat hij daarop geen antwoord kon geven. Maar toch gaf hij zich niet gewonnen.

— Omdat ik geen antwoord kan geven op uwe vraag, zeide hij, bewijst dit niet, dat ik ongelijk heb; want gij kunt geen antwoord geven op een van mijne vragen. Een ander in mijne plaats zou heel goed kunnen ophelderen, waarom Driscoll u heeft laten zoeken en met welk doel hij zooveel geld heeft besteed. Ik kan dat niet, omdat ik niet slim ben en omdat ik nergens verstand van heb.

— Zeg dat toch niet; ge zijt integendeel heel slim.

— Als ik dat was, zou ik u dadelijk weten uit te leggen wat ik nu niet begrijp, maar ge voelt het: neen, gij zijt geen kind van de familie Driscoll; gij zijt het niet en gij kunt het niet zijn. Dat zal later wel aan 't licht komen, daar ben ik zeker van; maar het oogenblik, dat alles moet ophelderen, vertraagt gij door uw oogen maar niet te willen openen. Ik begrijp wel dat gij u weerhouden laat door eerbied voor uwe ouders; maar dit moet u toch niet stomp maken.

— Maar wat wilt gij dan dat wij doen zullen?

— Naar Frankrijk terugkeeren.

— Onmogelijk.

— Omdat uw plicht u noopt bij uwe familie te blijven; maar als het uwe familie niet is, wat weerhoudt u dan?

Zulke gesprekken konden tot niets leiden dan alleen om mij nog ongelukkiger te maken dan ik reeds was.

Niets toch is erger dan twijfel. En hoewel ik niet wilde twijfelen, twijfelde ik toch.

Was die vader mijn vader? Was die moeder mijne moeder? Waren die kinderen mijn broers en zusters?

Het was vreeselijk dit te moeten erkennen; ik had nog minder smart en gevoelde mij nog minder ongelukkig, toen ik alleen was.

Wie zou ooit gedacht hebben, toen ik in eenzaamheid weende,