— Ben je nooit ziek geweest?
— Ik heb eens eene bloedspuwing gehad.
— Zoo, zoo; hoe kwam dat?
— Ik had 's nachts in de sneeuw geslapen, toen het vinnig koud was; mijn meester is dien nacht van koude gestorven; ik heb er maar eene bloedspuwing van gekregen.
— Is dat lang geleden?
— Drie jaar.
— En heb je later nooit gevolgen van die ziekte ondervonden?
— Neen.
— Geen vermoeidheid, geen afgemat gevoel? Zweette je 's nachts erg?
— Neen nooit; als ik mij moe gevoelde, was het omdat ik lang geloopen had; maar ziek was ik er niet van.
— En kunt ge goed tegen vermoeienis?
— Dat moet ik wel.
Hij stond op en kwam naar mij toe; hij voelde mijn armen, legde toen zijn hand op mijn hart en vervolgens zijn hoofd tegen mijn rug en vervolgens tegen mijn borst en beval mij diep adem te halen, alsof ik hard had geloopen; toen liet hij mij ook hoesten.
Toen dit afgeloopen was, zag hij mij zeer aandachtig een poos aan en toen vooral kwam de gedachte in mij op, dat hij bijten wilde; zoo dreigend was zijn glimlach.
Zonder verder iets te zeggen, zette hij in het engelsch het gesprek met mijn vader voort; daarop gingen zij samen heen, niet naar de straatdeur, maar naar den stal.
Toen ik alleen was, vroeg ik mijzelven af, wat al die vragen van den voornamen heer beteekenden? Wilde hij mij in zijn dienst nemen? Maar dan moest ik scheiden van Mattia en Capi! Bovendien had ik het vaste besluit genomen om nooit meer bij iemand in dienst te zijn, zoomin van dien gentleman, aan wien ik nu al een hekel had, als van een ander, wien ik misschien genegen zou zijn.
Na verloop van eenigen tijd kwam mijn vader terug. Hij zei, dat hij uit moest, en dat hij mij dus niet noodig had, zooals hij eerst gedacht had; ik kon dus ook uitgaan als ik wilde, zeide hij.
Ik had er volstrekt geen lust in; maar wat moest ik in dit treurige huis beginnen? Ik kon evengoed gaan wandelen als hier blijven en mij vervelen.
Daar het regende, ging ik naar onzen wagen om mijn schapevacht te halen: hoe verwonderd was ik daar Mattia te vinden; ik wilde iets tegen hem zeggen, maar hij legde de hand op mijn mond en sprak op fluisterenden toon:
— Maak de staldeur open, ik zal stil achter u komen; men mag niet weten, dat ik in den wagen was.