merrijk plekje was, moet ons wijzer hebben gemaakt. Hebben wij toen ook geen groene velden gezien in onze verbeelding en in werkelijkheid slechts modderpoelen gevonden?
Ik drong er niet verder op aan, want ook ik had mijn plan.
Het was wel heel onbestemd en nevelachtig, veel onnoozeler en veel dommer dan dat van Mattia zijn zou, dacht ik, maar juist daarom durfde ik er niet op aandringen, dat Mattia mij zijn plan zou mededeelen: wat zou ik geantwoord hebben, als dit hetzelfde was als hetgeen mij als een droom voor den geest zweefde? Dan zou ik het in woorden hebben moeten omschrijven en het met hem durven bespreken.
Wij moesten maar wachten en wij wachtten.
Al wachtende doorkruisten wij Londen, want wij behoorden niet tot die bevoorrechte muzikanten, die bezit nemen van eene geheele wijk en daar, om zoo te zeggen, hun eigen publiek hebben. Wij waren nog maar kinderen en nog te nieuw in het vak om zooveel aanspraken te maken, en wij moesten het veld ruimen voor hen, die hunne eigendomsrechten konden doen gelden door middelen, waartegen wij niet waren opgewassen.
Hoe dikwijls was het gebeurd, dat wij, op het punt om rond te gaan met het bakje na onze mooiste stukken te hebben gespeeld, verplicht waren zoo spoedig mogelijk ons uit de voeten te maken voor eenige reusachtige Schotten met bloote beenen en bontgeruite rokken, plaids en mutsen met een veer, die, zoodra wij maar hun doedelzak hoorden, ons de vlucht deden nemen! Met zijn horen had Mattia hunne doedelzakken wel kunnen overstemmen, maar tegen de mannen die de doedelzakken bliezen, waren wij niet bestand.
Evenmin konden wij het uithouden tegen de benden muzikantennegers, de nigger-melodits, die de straten doorkruisen. Voor die valsche negers, die zich zoo potsierlijk uitdossen met rokken met lange smalle panden en groote witte boorden, waarin hun hoofd omvat is als een ruiker door een stuk papier, waren wij nog banger dan voor de schotsche zangers. Zoodra wij hen zagen aankomen of maar hun banjo hoorden, zwegen wij eerbiedig en gingen wij naar eene andere wijk, waar wij hoopten geen van die benden te ontmoeten; of wel wij schaarden ons onder de omstanders en wachtten tot zij hun kattenmuziek geëindigd hadden.
Eens dat wij weder in den kring stonden die zich om hen had gevormd, zag ik een van hen, den potsierlijkste van den troep. Mattia toewenken. Eerst dacht ik, dat hij den gek met ons stak en het publiek wilde onthalen op het een of ander dwaas tafereel, waarbij wij de lijdende rol vervullen zouden; maar tot mijne groote verwondering zag ik, dat Mattia hem vriendschappelijk toeknikte.