moedigs en godsdienstigs hadden: Mattia's viool scheen te weenen en mijne harp zuchtte, en als wij een oogenblik pauze hielden, bracht de wind de tonen tot ons over van de muziek, die andere muzikanten een paar straten verder maakten. Ons concert was uit. „Heeren en dames, goeden nacht en vroolijke Kerstmis."
Dan gingen wij verder, om op eene andere plaats te spelen.
Het moet heerlijk zijn muziek te hooren des nachts, als men
in zijn bed ligt onder de warme dekens, en op een zachte peluw. Maar voor ons waren er geen dekens of peluws: wij moesten spelen met stramme, halfbevroren vingers. Nu eens was het een dikke lucht en de natte mist drong door onze kleeren heen; dan weder was de hemel helder en de scherpe noordenwind scheen het merg in onze beenderen te verstijven. Een zachten, zoelen nacht kent men in Engeland niet, vooral niet tegen Kersttijd. O, die Kerstdagen waren wel hard voor ons! Toch bleven wij gedurende die drie weken geen enkelen nacht in huis.
Hoe dikwijls stonden wij stil, vóór zij nog gesloten waren, voor die winkels waarin gevogelte, vruchten, taarten en wat dies meer zij, verkocht werd. Welke prachtige ganzen en kalkoenen en kippen zagen wij daar! gansche bergen sinaasappelen en appelen, kastanjes en gedroogde pruimen. Vooral de ingelegde vruchten deden ons watertanden.
Er waren zeker veel blijde kinderen, die al dat lekkers genoten en zich opgetogen in de armen hunner ouders wierpen.
En terwijl wij door de straten doolden, zagen wij, arme zwervende jongens, in onze gedachten de huisgezinnen feestelijk bijeen, zoowel in de aanzienlijke huizen der rijken als in de stulpjes van de armen.
En wij wenschten een vroolijke Kerstmis aan hen, die liefde genoten.
XIX.
DE ANGST VAN MΑΤΤΙΑ.
De heer James Milligan kwam niet meer in De Roode Leeuw, of althans wij zagen hem niet, hoe wij ook opletten.
Na Kerstmis moesten wij weder overdag uit en onze kans om hem te ontmoeten werd minder; onze eenige hoop was nu nog op den Zondag gevestigd. Wij bleven dan ook dikwijls thuis inplaats van gebruik te maken van dien vrijen dag, om voor ons pleizier te gaan wandelen.
Wij wachtten.
Zonder onzen toestand geheel te vertellen, had Mattia toch aan