Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/398

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zijn vriend Bob het een en ander medegedeeld en hem gevraagd of er geen mogelijkheid was het adres te ontdekken van eene zekere mevrouw Milligan, die een lam zoontje had, of zelfs maar van den heer James Milligan. Maar Bob zeide, dat men dan allereerst weten moest wie die mevrouw Milligan was, of welke betrekking de heer James Milligan bekleedde, daar zeer vele menschen in Londen, en nog meer in Engeland, den naam van Milligan droegen.

Daaraan hadden wij niet gedacht. Voor ons was er maar één mevrouw Milligan, de moeder van Arthur, en een mijnheer James-Milligan, die de oom van Arthur was.

Toen begon Mattia alweder met zijn raad om naar Frankrijk, terug te keeren, en opnieuw begonnen wij daarover te kibbelen.

— Gij wilt het dus opgeven om mevrouw Milligan te zoeken? vroeg ik.

— Neen zeker niet; maar 't is niet uitgemaakt, dat mevrouw Milligan nog in Engeland is.

— Evenmin, dat zij in Frankrijk is.

— Dat is toch waarschijnlijk; daar Arthur ziek is geweest, zal zijn moeder hem wel naar een land hebben gebracht, waarvan het klimaat geschikt is voor zijn herstel.

— Frankrijk is het eenige land niet, waar men een klimaat vindt, dat heilzaam is voor eene zwakke gezondheid.

— Arthur is eenmaal in Frankrijk hersteld; daarheen zal zijn moeder hem dus wel voor de tweede maal ook gebracht hebben, en bovendien zou ik zoo gaarne zien, dat gij vanhier gingt.

Mijn toestand was van dien aard, dat ik aan Mattia niet durfde vragen, waarom hij mij volstrekt hiervandaan wilde hebben: ik was bang, dat hij juist datgene zou zeggen wat ik niet wilde hooren.

— Ik ben bang, ging Mattia voort; laat ons dus heengaan. Gij zult zien, dat ons een ongeluk overkomt; laat ons gaan.

Ofschoon het gedrag van mijn familie tegenover mij niet veranderd was; mijn grootvader nog altijd spuwde als hij mij in zijne nabijheid zag; mijn vader mij slechts enkele woorden op een toon van gezag toevoegde; mijn moeder mij nooit aanzag, en mijn broers onuitputtelijk waren in het uitdenken van allerlei streken, die mij onaangenaam waren; Annie mij haar afkeer toonde bij elke gelegenheid, en Kate slechts lief was, als ik haar lekkers meebracht, kon ik nog maar niet besluiten om den raad van Mattia te volgen, evenmin als ik hem gelooven wilde, dat ik de zoon van Driscoll niet was. Twijfelen kon ik, maar vast gelooven, dat ik geen Driscoll was, viel mij onmogelijk.

De tijd ging langzaam voorbij, zeer langzaam, maar de dagen volgden toch op de dagen en de weken op de weken en het tijdstip naderde, waarop de Driscoll's Londen zouden verlaten om hun zwerftocht door Engeland te ondernemen.