slecht zijt om te gelooven dat ik u ooit zou verlaten, terwijl gij ongelukkig zijt. Want gij zijt ongelukkig, zeer ongelukkig! Wat heb ik u gedaan, dat gij zoo iets van mij zoudt kunnen denken? Zeg, wat heb ik u gedaan? Niets, nietwaar? Welnu, vooruit dan!
Alweder waren wij op de groote wegen, maar ditmaal was ik niet vrij om te gaan waar ik wilde en te doen wat ik goedvond. Toch had ik een gevoel van verluchting, toen ik Londen verliet. Ik zou De Roode Leeuw niet meer zien en dat luik, dat mij, ondanks mij zelven, altijd aantrok. Hoe dikwijls ben ik des nachts plotseling met schrik wakker geworden, terwijl ik in een benauwden droom een rood schijnsel door het raampje zag vallen. Het was een droom, een visioen; maar wat deed dit er toe: eenmaal had ik werkelijk dat licht gezien en dit was genoeg om het altijd als een brandende vlam voor oogen te hebben.
Wij stapten achter de wagens aan en inplaats van de stinkende en ongezonde geuren van Bethnal-Green, ademden wij de zuivere lucht van de schoone landschappen, die wij doortrokken en die misschien het woord green niet in hun naam hadden, maar groen waren voor de oogen, terwijl onze ooren vergast werden op het gezang der vogelen.
Op den dag zelf reeds van ons vertrek, zag ik hoe de verkoop plaats had van de waren, die zoo weinig gekost hadden. Wij waren in een groot dorp gekomen en de wagens werden op het plein gebracht. Een der wanden, die uit verschillende paneelen bestond, werd neergeslagen en de geheele voorraad werd uitgestald, om de aandacht van het publiek te trekken.
Koopjes! koopjes! zoo iets heb je nooit gezien! riep mijn vader. Daar ik mijn waar niet betaal, kan ik ze goedkoop leveren.
Ik verkoop ze niet; ik geef ze present. Koopjes! koopjes! Ik hoorde menschen, die de prijzen hadden gelezen, onder het weggaan tot elkander zeggen:
— 't Zal wel gestolen waar zijn.
— Dat erkent hij zelf.
Als zij mijn kant hadden uitgekeken, zouden zij aan mijn blozen gezien hebben, dat hun vermoeden maar al te gegrond was.
Maar zagen zij dien blos niet. Mattia had hem opgemerkt en des avonds sprak hij er mij over, hoewel hij gewoonlijk vermeed openhartig over dat punt te praten.
— Zult gij die schande altijd kunnen verduren? vroeg hij.
— Spreek er niet over, als gij niet wilt, dat die schande mij nog meer kwelt.
— Dat wil ik niet; maar ik wil samen naar Frankrijk terugkeeren. Ik heb u altijd gezegd, dat er een ongeluk gebeuren zal, en ik zeg het u nog; en ik voeg er nu bij, dat het niet lang meer zal uitblijven. Begrijp dan toch, dat er een politie is en dat