Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/401

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

deze den een of anderen dag zal willen weten hoe Driscoll voor zoo lage prijzen zijn waar kan verkoopen. En wat zal er dan gebeuren?

— Mattia, ik bid je....

— Als gij zelf dan niet zien wilt, moet ik het wel voor u doen. Ge zult zien, dat men ons allen oppakt, ook u en mij, die niets gedaan hebben. Maar hoe zullen wij dat bewijzen? Hoe zullen wij ons verdedigen? En is het niet waar, dat wij het brood eten voor het geld van die gestolen waar gekocht?

Die gedachte was nog nooit bij mij opgekomen; zij trof me, alsof men met een hamer op mijn hoofd had geslagen.

— Maar wij verdienen ons brood, zeide ik, om mij te verdedigen, niet zoozeer tegen Mattia dan wel tegen die gedachte.

— Dat is waar, hernam Mattia, maar 't is evenzeer waar, dat wij vereenigd zijn met menschen, die het hunne niet verdienen. Dat zal men zien, en meestal niets anders zien; wij zullen veroordeeld worden, evenzeer als zij. Het zou mij diep leed doen zoo ik veroordeeld werd als dief, maar nog veel meer wanneer gij als dief werdt veroordeeld. Ik ben maar een arme drommel, en ik zal nooit iets anders zijn; maar gij, als gij uw familie hebt weergevonden, uwe echte familie, wat zal het dan een smart en een schande voor u zijn, als gij zulk een vonnis hebt gehad! En als wij in de gevangenis zitten, zullen wij allerminst gelegenheid hebben om uwe ouders te ontdekken. En als wij in de gevangenis zitten, kunnen wij mevrouw Milligan ook niet waarschuwen voor hetgeen James Milligan tegen Arthur in ' t schild voert. Laten wij ons dus redden, terwijl het nog tijd is.

— Red u zelven.

— Gij zegt altijd dezelfde domheid; wij zullen ons samen redden of wij zullen samen opgepakt worden; en als dat gebeurt, wat niet lang meer duren kan, zult gij de verantwoordelijkheid dragen, dat gij mij met u meegesleept hebt, en wij zullen eens zien of dat besef zoo licht te dragen is. Als gij nuttig waart voor hen, bij wie gij nu zoo hardnekkig volhoudt te willen blijven, zou ik dat volhouden begrijpen; maar gij zijt volstrekt niet onmisbaar voor hen; zij zullen ook zonder u wel leven. Laat ons dus spoedig heengaan.

— Welnu, laat mij nog een paar dagen, om erover na te denken; dan zullen wij zien.

— Haast u! De wildeman rook menschenvleesch; ik ruik het gevaar.

Nooit hadden de woorden, de redeneering en de beden van Mattia mij zoo sterk getroffen als thans, en als ik eraan dacht,

zeide ik tot mij zelven, dat de besluiteloosheid, waaraan ik mij maar niet onttrekken kon, laf was en dat ik beslissen moest en eindelijk moest weten wat ik wilde.