schikking van Bob en zijne beide vrienden zouden stellen.
Maar toen wij weder in de stad kwamen, deed zich eene moeilijkheid voor. Ik vertelde aan mijn vader welke afspraak wij hadden gemaakt.
—Den hond heb ik zelf noodig, zeide hij; gij kunt hem dus niet meenemen.
Die woorden maakten mij eenigszins ongerust: wilde hij Capi weder voor de eene of andere slechte streek gebruiken? Maar mijn vader deed terstond alle vrees bij mij verdwijnen.
— Capi heeft een fijn gehoor, zeide hij, en hij is zeer waakzaam; hij kan ons dus van grooten dienst wezen bij de wagens, want bij dien toevloed van menschen zouden er wel eens onder kunnen zijn, die ons wilden bestelen. Gij gaat dus alleen spelen met Bob en als het wat heel laat mocht worden, wat zeer goed mogelijk is, kunt gij ons opzoeken in de herberg De Eikenboom, waar wij onzen intrek nemen, daar het mijn plan is tegen het vallen van den nacht te vertrekken.
Die herberg De Eikenboom, waar wij den vorigen nacht hadden doorgebracht, was een kwartier van de stad gelegen, op het open veld, in eene eenzame, sombere streek. Zij werd door een echtpaar gehouden, dat niet zeer geschikt was om vertrouwen in te boezemen. Die herberg des nachts terug te vinden was niet moeilijk; het was een rechte weg; het eenige onaangename was, dat zij nog al veraflag, wat vooral na een zwaren dag geen genoegen was.
Maar dat kon ik aan mijn vader niet zeggen, want deze gedoogde geen tegenspraak. Als hij iets gezegd had, moest men gehoorzamen.
Den anderen dag, nadat ik een poos met Capi had geloopen om hem te eten en te drinken te geven, zoodat ik zeker kon zijn, dat hij geen gebrek zou lijden, maakte ik zelf hem vast aan den wagen, dien hij bewaken moest en Mattia en ik gingen naar het terrein van de wedrennen.
Zoodra wij aangekomen waren, begonnen wij muziek te maken en dit duurde voort tot des avonds laat. Mijn vingers deden eindelijk zoo zeer, of zij door duizenden naalden waren gestoken, en Mattia had zooveel op den horen geblazen, dat hij bijna geen adem meer halen kon. Toch moesten wij maar blijven spelen, daar Bob en zijn makkers met hunne kunsten niet ophielden; van onzen kant mochten wij dus ook geen rust nemen. Toen de avond gevallen was, dacht ik dat wij rust zouden gaan nemen; maar wij verwisselden onze plaats in de open lucht met eene groote houten loods en daar begonnen de kunsten en de muziek opnieuw. Dit duurde tot bij middernacht; ik maakte nog altijd geluid op mijn harp, maar ik wist niet meer wat ik speelde en Mattia wist het evenmin als ik. Al twintigmaal had Bob medegedeeld dat het nu