Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/405

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

waaruit het gebrul van wilde die ren zich deed hooren toen ik naderde; maar de fraaie wagens met de helle kleuren van de familie Driscoll zag ik nergens.

Toen ik de herberg omliep, zag ik een licht, dat achter een ongesloten raam brandde, en daar ik hieruit opmaakte, dat niet ieder nog sliep, klopte ik op de deur. De herbergier met zijn ongunstig uiterlijk, dien ik den vorigen dag had gezien, deed zelf mij open en hield zijn lantaren vóór me, zoodat het volle licht op mijn gelaat viel. Ik zag, dat hij mij herkende, maar inplaats van mij door te laten, hield hij de lantaren achter den rug en een blik om zich werpende, luisterde hij eenige oogenblikken aandachtig.

— Uw wagens zijn al vertrokken, zeide hij; uw vader heeft gezegd, dat gij onmiddellijk, zonder verwijl, naar Lewes zoudt gaan en den ganschen nacht zoudt doorloopen. Goede reis!

En hij deed de deur voor mijn neus dicht, zonder een woord erbij te voegen.

Sedert mijn komst in Engeland had ik genoeg van de taal geleerd om die weinige woorden te begrijpen; maar er was één woord in, het belangrijkste, dat voor mij onverstaanbaar was. Louis, had de herbergier gezegd; waar lag dat land? Ik wist het volstrekt niet, want ik wist niet, dat Louis de engelsche uitspraak was van Lewes, een stad, waarvan ik den naam wel eens op de kaart had gelezen.

Maar al had ik ook geweten waar Lewes lag, had ik er toch niet dadelijk heen kunnen gaan. Mattia achterlatende. Ik moest dus naar het terrein van de wedrennen terugkeeren, hoe moe ik ook was.

Ik begaf mij dan ook weder op weg en anderhalf uur later lag ik op een bos stroo naast Mattia, in den wagen van Bob, en in weinige woorden vertelde ik hem wat er gebeurd was; daarna viel ik doodvermoeid in slaap.

Eenige uren slaap gaven mij mijn krachten terug, en den anderen morgen werd ik wakker, gereed om naar Lewes op weg te gaan, als tenminste Mattia, die nog sliep, mij kon volgen.

Toen ik uit het rijtuig stapte, ging ik naar mijn vriend Bob, die vóór mij was opgestaan en reeds bezig was het vuur aan te maken. Ik sloeg hem gade, terwijl hij daar op handen en voeten lag en met alle macht in het smeulend hout onder den ketel blies, toen ik meende Capi te herkennen, dien een politieagent aan een touw hield.

Ik was zoo verbaasd, dat ik mij niet verroeren kon en vroeg mij af wat dit kon beteekenen. Maar Capi had mij herkend en een ruk gedaan aan het touw, zoo krachtig, dat het aan de