Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/406

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

handen van den agent ontsnapte. In een paar sprongen was hij bij mij en in mijn armen.

De agent kwam bij ons.

— Die hond is van u, nietwaar? vroeg hij.

— Ja.

Dan neem ik u in hechtenis.

— En hij greep mij krachtig bij den arm.

De woorden en de daad van den agent hadden Bob doen opzien.

Hij kwam erbij.

— Waarom neemt gij dien knaap in hechtenis? vroeg hij.

— Zijt gij zijn broer?

— Neen, zijn vriend.

— Een man en een jongen zijn dezen nacht in de kerk Sint-George geklommen door een hoog raam met behulp van een ladder. Zij hadden dezen hond medegenomen, om hen te waarschuwen als men naderde. Zij werden overvallen en zij hebben zich den tijd niet gegeven om den hond mede te nemen, toen zij uit het venster zich redden en het beest heeft hen niet kunnen volgen, daar het in de kerk was opgesloten. Met dien hond was ik zeker de dieven te zullen ontdekken en nu heb ik er een van. Waar is de ander nu?

Ik weet niet of die vraag gedaan werd aan Bob of aan mij; ik antwoordde niet; ik was verpletterd.

Toch begreep ik wat er gebeurd was; ondanks mij zelven raadde ik het: men had Capi niet gevraagd om de rijtuigen te bewaken, maar omdat hij zulk een fijn gehoor had en hen kon waarschuwen als zij in de kerk aan 't stelen waren. Het was dus ook niet alleen om het genot van in De Eikenboom te overnachten, dat bij het vallen van den avond de wagens waren vertrokken; als zij in die herberg geen halt hadden gehouden, was het omdat de diefstal was ontdekt en men zoo snel mogelijk zich uit de voeten moest maken.

Maar niet aan de schuldigen moest ik thans denken, maar aan mij zelven; wie zij ook waren, ik kon mij verdedigen en, zonder hen te beschuldigen, mijne onschuld bewijzen: ik behoefde slechts te zeggen hoe ik dien nacht mijn tijd had doorgebracht.

— Terwijl ik zoo redeneerde, was Mattia, die ook den agent had gehoord en het gedruis dat zijne komst ten gevolge had gehad, opgestaan en uit het rijtuig gekomen en hinkend mij genaderd.

— Maak het hem toch duidelijk, dat ik niet schuldig ben, zeide ik tot Bob; ik ben tot een uur bij u geweest; toen ben ik naar de herberg De Eikenboom gegaan; daar heb ik den kastelein gesproken en ben terstond hierheen teruggekeerd.

Bob verhaalde die woorden voor den agent, maar deze was daardoor volstrekt niet overtuigd, zooals ik gehoopt had. Integendeel.