— Het was kwart over eenen toen men in de kerk inbrak, zeide hij; die knaap is vanhier vertrokken eenige minuten voor eenen, zooals hij zegt. Hij heeft dus om kwart over eenen in de kerk kunnen zijn met de dieven, en heeft toch meer dan een kwartier noodig om van hier naar de stad te komen, zeide Bob.
— O, als men hard loopt, hernam de agent; bovendien wie bewijst me dat hij te een uur is vertrokken!
— Dat zweer ik, zeide Bob.
— O, gij, antwoordde de agent; het zal altijd moeten blijken wat uw getuigenis waard is.
Bob werd boos.
— Vergeet niet, dat ik engelsch onderdaan ben, zeide hij met waardigheid.
— De agent haalde de schouders op.
— Als gij mij beleedigt, schrijf ik aan de Times.
— In afwachting daarvan neem ik dien knaap mede. Hij zal zich voor den rechter verantwoorden.
Mattia wierp zich in mijn armen; ik dacht dat hij afscheid van mij wilde nemen, maar Mattia liet zijn verstand spreken vóór hij aan zijn hart toegaf.
— Houd moed, fluisterde hij mij toe; wij zullen u niet verlaten.
Toen eerst nam hij afscheid van me.
Houd Capi bij u, zeide ik in 't fransch tot Mattia.
— Maar de agent begreep het.
Neen, neen, zeide hij; ik houd den hond; hij heeft mij dezen doen vinden en hij zal mij ook wel op 't spoor van den anderen brengen.
Dit was de tweede maal, dat men mij in hechtenis nam, en toch viel de schande mij veel zwaarder dan de eerste maal, want nu gold het niet zulk eene dwaze beschuldiging als toen men meende, dat ik eene koe had gestolen. Als mijne onschuld was gebleken, zou ik dan niet de smart ondervinden diegenen te zien veroordeelen, wier medeplichtige men mij geloofde?
Ik moest, door den politieagent vastgehouden, langs de rij van nieuwsgierigen gaan, die zich om ons hadden verzameld, maar men jouwde mij niet na en dreigde mij niet, zooals in Frankrijk, want zij, die er getuigen van waren, waren geen boeren, maar menschen die altijd min of meer in oorlog leefden met de politie: kunstenmakers, tappers, vagebonden, {[sp|tramp}}s, zooals de Engelschen hen noemen.
De gevangenis, waarin men mij opsloot, was geen gevangenis om den spot mede te drijven zooals die eerste, waarin men mij bewaarde; het was eene wezenlijke gevangenis met getraliede vensters, waarvan het gezicht alleen elk denkbeeld aan ontsnappen ver-