Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/409

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Ik kon zelfs het eten niet aanraken, dat men mij bracht. Maar zoo ik al het eten liet staan, met destemeer gretigheid viel ik op het water aan, want ik leed een versmachtenden dorst en dien dag ging ik elk kwartier naar mijne kruik en dronk met lange teugen, zonder mijn dorst te lesschen of den bitteren smaak weg te nemen, dien ik den geheelen dag in den mond had.

Toen ik den cipier in de gevangenis zag komen, had ik een gevoel van genot en een zweem van hoop ontwaakte in mij, want sedert het oogenblik dat ik hier was opgesloten, verkeerde ik in eene koortsachtige spanning over de vraag, die ik maar niet kon oplossen:

„Wanneer zou de rechter mij in verhoor nemen? Wanneer zou ik mij kunnen verdedigen? "

Ik had wel eens verhalen gehoord van gevangenen, die men maanden lang had opgesloten gehouden, zonder dat men hunne zaak behandelde of zelfs hen maar in verhoor nam, wat voor mij hetzelfde was, en ik wist niet, dat in Engeland er nooit meer dan een paar dagen verloopen tusschen het in hechtenis nemen en de openbare behandeling van de zaak voor den rechter.

Die vraag, die ik niet kon oplossen, was dus de eerste, welke ik tot den cipier richtte, die er niet kwaad uitzag, en die zoo goed was om mij de verzekering te geven, dat ik zeker den volgenden dag zou voorkomen.

Maar mijn vraag gaf hem aanleiding om op zijne beurt ook mij een paar vragen te doen. Daar hij mij geantwoord had, was het immers niet meer dan billijk, dat ik ook hem antwoordde?

— Hoe ben-je toch in die kerk gekomen? vroeg hij. Op die woorden antwoordde ik met de vurigste verzekeringen van mijne onschuld. Maar hij zag mij aan en haalde de schouders op; toen ik voortging met te bezweren, dat ik niet in de kerk geweest was, ging hij naar de deur en mompelde, terwijl hij zich nog even naar mij omwendde:

— Wat zijn ze toch verdorven, die londensche straatjongens!

— Daarmede ging hij heen.

Die woorden maakten een pijnlijken indruk op me: hoewel de man mijn rechter niet was, had ik zoo gaarne gewild, dat hij aan mijne onschuld geloofde. Aan mijn toon, aan mijn gelaat moest hij gezien hebben, dat ik geen kwaad had gedaan.

Als ik hem overtuigd had, zou het mij dan mogelijk zijn, den rechter te overtuigen? Gelukkig had ik getuigen die voor mij spreken zouden; en als de rechter mij niet hoorde, dan zou hij toch verplicht zijn om de getuigenissen aan te hooren, die mijneonschuld bewezen.

Maar die getuigenissen had ik noodig.

Zou ik ze hebben?