Onder de geschiedenissen van gevangenen die men mij verteld had, was er ook een, waarin voorkwam, dat men aan gevangenen briefjes kon doen toekomen in het eten, dat zij kregen.
Misschien zouden Bob en Mattia van dit middel hebben gebruik gemaakt, en toen dat denkbeeld in mij was opgekomen, begon ik mijn brood te kruimelen, maar ik vond er niets in. Behalve dat brood had men mij aardappelen gebracht; ook deze kneedde ik fijn, maar er was geen stuk van een briefje in te vinden.
Zeker hadden Mattia en Bob mij niets te zeggen of, wat waarschijnlijker was, konden zij mij niets zeggen.
Er bleef mij dus niets anders over dan den volgenden dag af te wachten, zonder al te veel aan mijne treurigheid toe te geven, zoo mij dit mogelijk was. Ongelukkigerwijze was mij dit niet mogelijk en hoe oud ik ook word, steeds zal mij de herinnering aan dien nacht voor den geest staan, alsof het gisteren was. Hoe onzinnig was het ook, dat ik niet geloofd had aan het voorgevoel en de vrees van Mattia!
Den anderen morgen kwam de cipier in mijne cel met een kruik en een waschkom. Hij zeide mij dat ik mij wat moest opknappen, als ik er lust in had, want dat ik straks voor den rechter zou verschijnen en hij voegde erbij, dat een net voorkomen somtijds het beste verdedigingsmiddel voor een beschuldigde is.
Toen ik mij zoo netjes mogelijk had gemaakt, wilde ik op mijn bank gaan zitten, maar 't was mij onmogelijk om op mijn plaats te blijven en ik liep in mijne cel heen en weder, als de wilde dieren in hunne kooi.
Ik wilde mijne verdediging en mijne antwoorden vooruit klaarmaken, maar mijn hoofd was te veel in de war; ik kon niet denken aan mijn tegenwoordigen toestand; ik was met allerlei zonderlinge dingen bezig, die in mijn hersens zich verwarden, als de beelden in een tooverlantaren.
De cipier kwam terug en gelastte mij hem te volgen. Ik liep naast hem, en na een aantal gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij aan eene kleine deur, die hij opende.
— Ga binnen, zeide hij.
Een warme lucht woei mij tegen en ik hoorde een verward gedruis. Ik trad binnen en bevond mij in eene kleine, afgesloten ruimte in de zaal van het gerechtshof.
Hoewel ik aan eene soort van zinsverbijstering ten prooi was en de aderen van mijne slapen voelde kloppen, alsof zij straks barsten zouden, een enkele blik, dien ik om mij heen wierp, deed mij duidelijk zien al wat mij omringde: de geheele zaal en al de menschen, die er zich in bevonden.
Zij was vrij groot die zaal, zeer hoog en met breede ramen