hij tot zichzelven sprak, hoe ik heette, hoe oud ik was en welk beroep ik uitoefende.
Ik antwoordde in het engelsch, dat ik Francis Driscoll heette en bij mijne ouders te Londen woonde, in De Roode Leeuw, in Bethnal-Green. Daarop verzocht ik verlof om van de fransche taal gebruik te maken, daar ik in Frankrijk was grootgebracht en eerst eenige maanden in Engeland mijn verblijf hield.
— Tracht mij niet te bedriegen, zeide de rechter op strengen toon; ik ken fransch.
Ik deed dus mijn verhaal in het fransch; ik deed uitkomen hoe volkomen onmogelijk het was, dat ik te een uur in de kerk was geweest, daar ik tot op dien tijd op het terrein der wedrennen was, en dat ik te halfdrie bij de herberg De Eikenboom was geweest.
— En waar waart gij te kwart over eenen? vroeg de rechter.
— Onderweg.
— Dat staat te bewijzen. Gij zegt, dat gij opweg waart naar
de herberg De Eikenboom en volgens de akte van beschuldiging waart gij in de kerk. Als gij eenige minuten vóór eenen het veld van de wedrennen verlaten hebt, kunt gij bij uw medeplichtige zijn geweest bij den muur der kerk, die u daar met een ladder wachtte, en nadat uw diefstal mislukt was, kunt gij naar de herberg De Eikenboon zijn gegaan.
Ik trachtte aan te toonen, dat het niet mogelijk was, maar ik bemerkte duidelijk, dat ik den rechter niet had overtuigd.
— En hoe verklaart gij de tegenwoordigheid van uw hond in de kerk? vroeg de rechter.
— Die kan ik niet verklaren, die begrijp ik zelf niet; mijn hond was niet bij mij; ik had hem des morgens aan een onzer wagens vastgemaakt.
Het betaamde mij niet er iets meer van te zeggen, want ik wilde geen wapens in de hand geven tegen mijn vader. Ik zag Mattia aan, die mij wenkte, dat ik verder zou gaan, maar ik ging niet verder.
Men riep een getuige en deed hem den eed afleggen op den bijbel en beloven, dat hij de waarheid zou zeggen, zonder haat of nijd.
Het was een dikke man met een dom gelaat, niet groot van gestalte en zeer statig, ondanks zijn vuurrood gezicht en zijn blauwen neus. Vóór hij den eed aflegde, maakte hij eene kniebuiging voor den rechter en richtte zich toen met veel waardigheid op. Het was de koster van de parochie Sint-George.
Hij begon uitvoerig te verhalen hoe hij gestoord en verontwaardigd was, toen men hem plotseling had gewekt om hem mede te deelen, dat er dieven in de kerk waren. Zijn eerste gedachte was, dat