Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/416

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

raden, en wederom stelde ik mij een tal van vragen voor, waarop ik onmogelijk een bevredigend antwoord kon vinden.

Eene enkele zaak was duidelijk en klaar: den anderen morgen bij het aanbreken van den dag moest ik wakker zijn en opletten. Tot zoolang behoefde ik maar geduld te hebben, als mij dit mogelijk was.

Zoodra het geheel donker geworden was, ging ik in mijn hangmat liggen en trachtte ik in te slapen; ik hoorde achtervolgens op de omliggende torenklokken de uren slaan; toen overviel mij de slaap en droeg me op zijne vleugelen mede.

Toen ik wakker werd, was het nog stikdonker nacht; de sterren schitterden aan den donkeren hemel; zeker was de morgen nog ver. Toch ging ik op mijn bank zitten, en ik bleef daar zitten, uit vrees, dat ik de aandacht zou wekken van den cipier, zoo deze misschien eene ronde mocht doen. Weldra sloeg het drie uren op de nabijgelegen torenklok. Ik was dus te vroeg opgestaan; maar ik durfde niet meer gaan slapen, en ik geloof zelfs, als ik het had beproefd, dat het toch niet gelukt zou zijn. Ik was te koortsachtig, te angstig.

Mijne eenige bezigheid was nu de uren te tellen die de klokken aangaven, maar wat duurden die vijftien minuten lang tusschen het eene kwartier en het andere; soms zoo lang zelfs, dat ik meende te zijn ingedommeld en een kwartier te hebben overgeslagen of wel, dat de klok van streek was.

Tegen den muur geleund, had ik de oogen onafgebroken op het venster gericht; het scheen mij eindelijk toe, dat de ster, die ik in het oog had, haar glans verloor en dat de lucht witter werd.

Het was de nadering van den dag; in de verte begonnen de hanen te kraaien.

Ik stond op en op de tonen sloop ik naar het venster om het te openen. Dit was eene moeilijke taak, want ik wilde voorkomen dat men het knarsen of piepen zou hooren, maar door het zeer zacht en vooral zeer langzaam te doen, slaagde ik er toch in.

Hoe gelukkig dat mijne cel zich bevond in eene voormalige lage zaal, die tot gevangenis was ingericht en dat men het op de ijzeren tralien had laten aankomen om de gevangenen te bewaren, want als ik mijn venster niet had kunnen openen, zou ik nooit Mattia hebben kunnen beantwoorden. Maar het raam open te maken was nog niet alles; de ijzeren staven bleven, en ook de dikke muren en de deur met het ijzeren beslag. Het was dus eene dwaasheid aan de vrijheid te denken, en toch hoopte ik.

Də sterren verbleekten al meer en meer en de koude morgenlucht deed mij bibberen; toch verliet ik het raam niet; ik bleef daar staan en luisterde en keek, zonder te weten wat ik doen moest of waarnaar ik luisterde.